Wanneer u op een of andere populaire website klikt, zijn er een stuk of wat bedrijven die met u meekijken waar u zoal op klikt en alles wat ze daaruit over u kunnen leren als data te koop aanbieden aan weer andere bedrijven.

Wanneer u ook, zoals ik, nogal driftig met Facebook aan de slag bent, of weer eens een zoekterm in Google intikt, staat u daar eigenlijk een beetje zoals die keizer zonder zijn kleren: men weet zo ongeveer alles al van u, want op myriaden manieren wordt het door de geleerdste koppen en de meest verfijnde algorithmes (èn de stomste kwisjes) aan u ontfutseld.

Wanneer u uw reis naar New York of de Nationale Parken van Amerika boekt, gaat uw creditcard informatie en geheid nog een hele hoop andere interessante weetjes over u op een enkeltje overzeese reis naar de Amerikaanse overheid.

Wanneer u in eender welk stadscentrum, station, shoppingcenter of Turnhoutsebaan rondloopt, wordt u constant in de gaten gehouden door alomtegenwoordige en alziende camera’s.

Met andere woorden: onder de vlag van sociaal contact, reisplezier of veiligheidsgevoel, zijn wij in het zeer recente verleden bereid gebleken grote stukken privacy zomaar af te staan, zowel aan overheids- als private instanties, hoewel ik vermoed dat bijna eenieder van u die dit leest zich een groot voorstander en verdediger van de persoonlijke privacy zal noemen. We hebben, met andere woorden, geleerd om met die privacy pragmatisch om te gaan. Of beter: we hebben er wel pragmatisch mee moèten leren omgaan, want die infogaring is heden ten dage zo alomtegenwoordig, dat het bijna onmogelijk is er zich volledig aan te onttrekken. Toch blijft een nationale revolutie uit: een enkeling ligt er van wakker. Die grote wereldbol, die blijft draaien.

Dus dacht ik: wat als we nu dat andere begerenswaardige concept, “neutraliteit”, ook eens vanuit die hoek zouden bekijken ?

Het hoeft niet te verwonderen dat deze gedachte nu juist bij mij opkwam: Vlaanderen beleefde in de voorbije weken alweer zijn eigen politieke mini-orkaan toen Vlaams Minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding, Liesbeth Homans (N-VA) deze tweet van haar administratie zonder pardon van Twitter  afsleurde:

Screenshot_533

Voor Homans was het onaanvaardbaar dat, uitgaand van het principe dat de overheid absoluut neutraal moet zijn, een foto van een vrouw met een hoofddoek werd gebruikt in een aanwervingscampagne voor beleidsmedewerkers en juristen bij die Vlaamse overheid.

“Fout van de administratie”, zei Homans. Een oordeel wat meteen al de grenzen van die neutraliteit aftast. Want diezelfde foto van de lachende Amina bij de VDAB was wèl al gebruikt in de diversiteitscampagne van … alweer diezelfde Vlaamse overheid en dus hadden de mensen van haar administratie er blijkbaar geen problemen in gezien om die foto ook voor deze aanwervingscampagne te gebruiken. Maar dat was een brug te ver, zei de minister. Inconsistent ? Neen, want het doelpubliek was verschillend, luidde de repliek, toen haar hier werd op gewezen. Maar wanneer men het heeft over absolute neutraliteit binnen de organisatie van de overheid, is het begrip “doelpubliek” dan niet compleet irrelevant ? Is het “doelpubliek” dan niet iedereen die, om welke reden of in welke hoedanigheid ook, met die Vlaamse overheid in aanraking komt ? En als dat zo is, moet dat “doelpubliek” dan niet overal uniform, “neutraal”, benaderd worden ? In dat opzicht kan ik mij vinden in de redenering van Jurgen Slembrouck die in DM van vijf september poneerde dat de Vlaamse overheid zich door die diversiteitscampagne zelf al in de voet had geschoten wat betreft neutraliteit. Maar anderzijds: wat is een diversiteitscampagne waard waar men de diversiteit niet kan of mag tonen ? Zo wordt een diversiteitscampagne al gauw een uniformiteitscampagne.

Als men u de vraag stelt of neutraliteit van de overheid absoluut moet zijn, dan is de kans groot dat u prompt bevestigend zal antwoorden. Maar als die overheid dan compleet neutraal moet zijn, compleet on-partijdig, waarom wordt die overheid dan gestuurd door … partijen ? Waarom verwijdert een vertegenwoordigster van een Vlaams-nationalistische partij -zonder hoofddoek- een beleidsgerichte tweet en maken vertegenwoordigers van linkse partijen -al evenzeer zonder hoofddoek- daar zo een heisa over ? Als neutraliteit een duidelijk afgebakend domein is, als het zo rechtlijnig toepasbaar is, waarom is men het er dan niet over eens ?

Partijen schrijven programma’s en die reflecteren keuzes die men maakt. Die zijn a priori niet neutraal. Kiescampagnes zijn daar het beste bewijs van: elke partij probeert zijn potentieel kiespubliek bang te maken voor wat die andere partijen, als zij aan de macht zouden komen, hen zouden kunnen aandoen. Maar aan het eind van de verkiezingsrit zit er altijd eentje, of naar Belgisch model een paar, als winnaar(s) aan het stuur en gaan zij die overheid prioriteiten opleggen en modelleren naar het maatschappelijk model wat zij in gedachten hebben. Daar is niks neutraals aan. Doe misschien gewoon als hersengymnastiek eens de virtuele oefening hoe de Vlaamse overheid er zou uitzien indien de PVDA of het Vlaams Belang aan de macht waren en welke impact dit zou hebben op het reilen en zeilen binnen VDAB, OCMW’s, politie etc …

De overheid voert dus het beleid uit van een regering die zelf onmogelijk neutraal kan zijn: ik denk dat dit niet meer is dan een open deur intrappen. Waarover gaat het dan wèl ? Het lijkt mij vooral te gaan om de indruk van neutraliteit die de overheidsambtenaar moet weten te bewaren naar elke burger toe in het uitvoeren van het beleid dat door de regering is uitgestippeld en in wetten is vastgelegd. Ik citeer nogmaals uit het artikel van Jurgen Slembrouck, waar hij artikel 8 van het ambtenarenstatuut uit 1937 aanhaalt: “Wanneer hij bij zijn ambtsuitoefening in contact komt met het publiek vermijdt de rijksambtenaar elk woord, elke houding, elk voorkomen die van die aard zouden kunnen zijn dat ze het vertrouwen van het publiek in zijn volledige neutraliteit, in zijn bekwaamheid of in zijn waardigheid in het gedrang zouden kunnen brengen”. En in de deontologische code voor Vlaamse ambtenaren staat het zo: “Personeelsleden moeten ernaar streven om elke schijn van partijdigheid te voorkomen.”

Het kader is daarmee geschetst, maar hoe zit het met de uitvoering ervan ? Die foto van onze VDAB medewerkster kon voor de verantwoordelijke minister niet gebruikt worden voor die campagne, wegens uiterlijke kenmerken die eigen zijn aan een bepaalde religie, de islam. Met andere woorden, indien haar moslim echtgenoot, die -zoals de vox populi steeds met stellige overtuiging beweert- onze VDAB medewerkster dwingt die hoofddoek te dragen maar door zijn geloof zelf niet verplicht wordt een speciaal uiterlijk kenmerk te dragen, op die foto had gestaan, dan was er geen vuiltje aan de lucht ? En die oervlaamse loketbediende die de goegemeente elke zaterdagavond om zes uur de parochiekerk ziet binnenstappen en met een scapulier rond zijn hals hangt, maar wel onder zijn witte hemd: die zou vermoedelijk ook geen probleem geweest zijn ? … Dit soort toestanden noem ik persoonlijk geen neutraliteit, dit noem ik willekeur. Vermoedelijk zijn ze alle drie even neutraal of even niet-neutraal of gelijk welke schakering daartussen, maar in ons voorbeeld er is er slechts één die er de dupe van is, terwijl iets mij zegt dat zoiets complex als neutraliteit onmogelijk zoiets kleins als de haarlok van een vrouw kan zijn.

Evenzeer moet men er zich voor hoeden om de non-neutraliteit van de burger die aan het loket verschijnt te projecteren op de loketbediende, wat ik vrees hier in het spel is. Het is niet omdat de burger aan deze kant van het loket, zonder enig aanwijsbare reden, meent dat hij door iemand met een hoofdoek niet correct zal behandeld worden, dat men dat dan zo maar hoeft te aanvaarden als fait accompli. De vrees van de één zegt niks, maar dan ook helemaal niks, over de neutraliteit, competentie en waardigheid van de ander maar wie zich daar in zijn besluitvorming  wel door laat leiden mag, mijns insziens, gerust partijdig worden genoemd.

Wil ik het neutraliteitsprincipe dan meteen helemaal afserveren ? Ik denk het niet. Iedereen heeft inderdaad het recht om in zijn interactie met de overheid zo onpartijdig mogelijk te worden behandeld. Alleen stoort het mij geweldig dat dit blijkbaar steeds wordt verengd tot een puur vestimentair debat, waarin de rabiate verdedigers van “volledige neutraliteit”, wanneer de hoofddoek weer ter sprake komt, telkens weer pareren met de vraag of we dan maar T-shirts met Mohamed cartoons of hemden bedrukt met de Vlaamse Leeuw ook moeten toelaten achter het loket. Of wat als het na de hijab dan de chador wordt ? Het hele debat lijkt telkens opnieuw af te glijden naar een Modeshow van de Slechte Smaak en dat betreur ik.

Maar alvorens tot een mogelijk alternatief te komen, zou ik graag nog een aantal andere elementen in de discussie betrekken.

Ruw geschat zo een zeven procent van de bevolking vandaag is moslim. Herinner u nu hoe deze centrum-rechtse regering (we zullen het daar voorlopig maar op houden; dat is voer voor een andere discussie) steeds proclameert dat de overheid meer als een bedrijf zou moeten worden gerund. Wanneer je zeven procent van de aandelen hebt in een bedrijf, dan wordt er met jou rekening gehouden door de andere aandeelhouders. Of nog, elk bedrijf dat ergens een speler met zeven procent marktaandeel bespeurt, die zet daar een dedicated account-team op om die potentiële klant binnen te halen en aan zich te binden. Ik zou dus kunnen pleiten om een dienstverlening op te richten, specifiek gericht op deze groep, maar ik begrijp dat zoiets een onmogelijk verhaal wordt, financieel, organisatorisch en evengoed naar andere maatschappelijke “minoriteiten” toe, want die zouden dan uiteraard ook rechten kunnen claimen op een meer gepersonaliseerde service. Maar laat ons dus vooral niet verwonderd staan over de aanwezigheid van vertegenwoordigers van elk van die minderheidsgroepen in ons overheidsapparaat: ze horen er thuis als wij ècht een inclusieve samenleving willen.

En dan zijn er nog twee andere elementen die ik even wil aanhalen. Vooreerst het voortdurend herhaalde adagium dat de “nieuwe Vlamingen” zich moeten integreren. Als wij het daar zo serieus mee menen èn terzelfdertijd toch ook weten welk een moeilijk verhaal dat is , zou het dan geen bijzonder goed idee zijn om individuen die die minimum vereiste integratie-standaard (wat dat dan ook moge zijn, want ook daarover heeft ieder wel een andere mening) hebben bereikt als rolmodellen naar voor te schuiven, in plaats van hun foto van Twitter af te halen ? Geloven wij dan niet meer in de kracht van het goede voorbeeld ? Amina is achter dat bureau van de VDAB terecht gekomen, ondanks haar hoofddoek, ondanks haar moslim-zijn. Ik neem aan dat het geen walk in the park is geweest om daar te geraken. Hebben we er dus geen collectief belang bij om dat een beetje aan te moedigen in plaats van dat in de media met de grond gelijk te maken ? En ook: België is bij de slechtste van de Europese klas wat betreft tewerkstellingsgraad van mensen met een migratieachtergrond. Hoe zat dat ook alweer met die “Jobs ! Jobs ! Jobs !” ? Heb ik de kleine lettertjes van het contract gemist waar stond “Jobs … zonder hoofddoek ! Jobs … zonder hoofddoek ! Jobs … zonder hoofddoek !”. Hoe blijven wij het één eigenlijk aan het ander rijmen ?

Wanneer wij alle dingen die ik hier heb aangehaald als een puzzle in elkaar willen laten passen, dan denk ik dat een meer pragmatische benadering van ons neutraliteitsvraagstuk zich opdringt en laat ons een keer beginnen bij onszelf. Wanneer ik een OCMW binnenstap om een leefloon aan te vragen of bij de VDAB langs ga op zoek naar een job, wat heb ik dan eigenlijk te vrezen van een vrouw met een hoofddoek ? Haar moslim-zijn  heeft geen enkel verband met de door mij gevraagde dienst. In de discussie over neutraliteit, wordt dat onderwerp steeds benaderd als iets wat enkel belangrijk is aan de dienstverlenende kant van het loket, maar wordt er nooit over neutraliteit gesproken als het gaat om de dienstvragende kant van het loket. Is het echter niet zo dat dat twee kanten zijn van hetzelfde muntje ? Ik heb het dan uiteraard niet over de vraag waar de “klant” mee naar het loket komt, maar over die tijdelijke relatie die telkens ontstaat tussen de personen voor en achter dat loket. Hoe kan men in godsnaam -excusez-moi le mot- neutraliteit aan de ene kant van het loket verwachten als de andere kant openlijk te kennen geeft: “Ik vertrouw u niet. Ik wil u hier niet”. En doen wij, hoofddoeklozen, het echt allemaal zo veel beter, zo veel neutraler ? Ik stel voor om in de Vlaamse rand, in de faciliteitengemeenten eens wat verhalen te gaan sprokkelen en onder te duiken in de wondere wereld van de Vlaamse neutraliteit. … Het verhaal zal dus in mijn visie van twee kanten moeten komen. Laat mij er voor één keer een spreuk van de Bond Zonder Naam (dè ultieme neutrale organisatie, toch, als je jezelf zelfs geen naam durft toekennen om toch maar niemand voor het hoofd te stoten !) bijhalen: “Verbeter de wereld, begin met jezelf.” Als we daar in slagen, dan zijn we al een stuk op de goede weg. Maar een beetje hulp is natuurlijk altijd welkom. Dus dacht ik dat het wel prettig zou zijn, de dag dat wij opdagen aan dat loket, dat wij ook weten dat die persoon tegenover ons ook “gecertifieerd” is in neutraliteit, dat wij met een gediplomeerd “neutralist” te maken hebben.

Enters: de neutraliteits-test.

Alles moet meetbaar zijn, tegenwoordig. Ook dàt is vaste prik in de bedrijfscultuur. Waarom dus niet proberen die neutraliteit van de overheidsambtenaar ook meetbaar te maken door middel van één (of meerdere) examens. Wie ooit al eens in het sollicitatiecircuit heeft meegedraaid, die heeft ongetwijfeld ook al zitten vloeken op die psycho-technische tests, waar je een vragenlijst van tientallen en tientallen vragen krijgt voorgeschoteld waar je met een cijfer van één tot vijf moet weergeven in welke mate de vraag op jou van toepassing is. Fluitje van een cent, denk je bij aanvang, en je begint die lijst in te vullen in lijn met het soort profiel dat je van jezelf hoopt te etaleren. Met andere woorden: je verbloemt de waarheid hier en daar een beetje. Tot je al heel snel merkt dat vele vragen terugkomen, zij het in telkens een andere vorm. En dan begin je een beetje te zweten, want dat “verbloemen” blijkt plots veel moeilijker dan het oorspronkelijk leek. … Ik maak me sterk dat een soortgelijke test om de neutraliteit van een persoon te meten ook kan ontworpen worden. Maak daar voor mijn part een twee- of drie-daagse opleiding van, waar een deep-dive in de relevante stukken van de Belgische Grondwet, gecombineerd met een aantal rollenspelen (waar elk assessment-bureau nu al gebruik van maakt) en jaarlijkse of half-jaarlijkse refresh-sessies, het mijns insziens mogelijk zou moeten maken om tot een vrij accurate analyse te komen of de kandidaat in staat mag worden geacht zich aan het loket neutraal te gedragen. En laat ons dan ook eerlijk zijn: iemand die slaagt voor een dergelijke test en die zijn nieuwe functie serieus neemt, die verwacht ik niet in een T-shirt met een Mohammed cartoon te zien opduiken, want laat mij nog eerlijker zijn: wie dat doet, vertoont een gebrek aan sensitiviteit die voor mijn part óók ab-so-luut niet verenigbaar is met een loketfunctie. Anderzijds verwacht ik ook niet dat de moslim die in iedere zin die een Vlaming zegt een racistische opmerking detecteert, zal slagen voor zo een test.

Ik ben er mij van bewust: heel deze argumentatie is dansen op een slappe koord en tast de grenzen af van wat haalbaar of wenselijk is. Maar ik vind wèl dat we de hele discussie meer zuurstof moeten geven, meer lebensraum dan telkens opnieuw dat verstikkende kledingdebat.

Ik haalde in het begin van mijn uiteenzetting al het voorbeeld aan van de privacy en de grenzen die we daar zelf, willens of nillens, hebben verlegd. Ik zou willen eindigen met te verwijzen naar nog een paar andere voorbeelden, waar we, door de dagelijkse realiteit in onze wetgeving toe te laten, onze maatschappij een -althans naar mijn aanvoelen en ik denk ook voor een meerderheid onder u- humaner karakter mee hebben gegeven, ook al is ook dat niet zonder slag of stoot gebeurd: abortus en euthanasie. Als wij mordicus aan onze “christelijk-joodse” dogma’s waren blijven vasthouden en beide praktijken nog altijd als “moord” zouden omschrijven en dat dus ook nog steeds overeenkomstig zouden bestraffen, dan leefden we nu in een ander soort samenleving. Als wij aan diezelfde dogma’s zouden zijn blijven vasthouden, dan leefde onze LGBT gemeenschap nu nog altijd ondergedoken. Als wij er van zouden uitgaan dat die loketbediende die we daarnet iedere week om zes uur de parochiekerk zagen binnenstappen, zich als overtuigd gelovige compromisloos zou aansluiten bij de visie van het Vaticaan over abortus, zouden we hem dan nog ongecomplexeerd als “neutraal” beschouwen ?

Ik laat het antwoord over aan ieder van u.

Advertisements

“Vier hoog in de wolken, ja, daar leefden wij (…)”, klonk het in 1984 bij Johan Verminnen. Het lijkt mij dat we nu, 33 jaar later, soms nog altijd collectief met ons hoofd “vier hoog in de wolken” wonen.

Het was zoals met een snotvalling: dat verdomde snot durft ook al eens ontieglijk lang in je kop blijven hangen. Het is soms pas vele zakdoeken en ontelbare tissues later dat je er helemaal van af geraakt. Zo verging het mij ook met dat ondertussen befaamde zinnetje van Gwendolyn Rutten uit haar interview met HLN:

“… onze manier van leven die zonder enige twijfel superieur is aan alle andere in de wereld”

Het bleef hangen, net zoals die snotvalling.

3556

Wat eerst volgde, was nog een klein feel-good moment, omdat ik mij eventjes visionair waande (ik weet het: des mensen kleine kantjes zijn mij helemaal niet vreemd). Op 28 augustus vorig jaar had ik namelijk, in mijn stuk “Sprookjes van 1001 Normen en Waarden” de volgende redenering uit mijn kop en op het papier gesnoten:

“Waarom dan dit stuk ? Voornamelijk om twee redenen: eerst en vooral omdat ik vind dat, in een wereld die wel geplaagd lijkt door een continentendrift  van allerhande soorten visies, een beetje meer nederigheid ons wel zou sieren. Geen mens die vandaag nog met de titel “missionaris” op zijn naamkaartje zou willen rondlopen, maar dikwijls gedragen we ons wel zo naar de buitenwereld. En ten tweede, omdat het mij stoort dat de idealen van de Verlichting voor ons precies een soort finaliteit zijn geworden: wij hebben onze schaapjes mooi op het droge, “onze normen en waarden” zijn het nec plus ultra van wat er binnen en ver buiten dit universum te vinden is, wij zijn helemaal Kant en klaar. Maar is dat wel zo ?”

En bam ! … daar kwam Rutten, nauwelijks enkele maanden later en als was het op bestelling, met haar superioriteitsdiscours op de proppen (voor mij het zuiverste bewijs dat ze mijn blog niet leest. Shame on her !). Maar na dat korte feel-good momentje, zat dat snot er nog steeds en tot op vandaag zit het er nog en blokkeert het mijn mentale luchtwegen. Vandaar dus dit nieuwe stuk, bedoeld om te “ontvallingen”, want het irriteert mij al te lang.

Het is niet dat ik niet begrijp wat Rutten wil zeggen (en wat ze in verschillende statements nadien nog heeft herhaald) namelijk dat wij een best-of-class staatsvorm hebben die onze maatschappelijke verhoudingen in min of meer voor iedereen aanvaardbare mate reguleert en die het individu het nodige “Lebensraum” biedt: de drie scheidingen, de vrijheid van meningsuiting, de gelijkheid tussen man en vrouw etc … U kent ze zo naderhand wel, de ingediënten van deze taart en anders moet u er mijn vorige stuk nog maar eens op nalezen. Ik ben het – hou u vast ! – met haar eens: er is geen andere staatsvorm die ik zie waar ik momenteel de voorkeur aan zou geven. … Maar behalve dat het dàt niet was wat ze gezegd heeft (het woord “systeem”, “structuur” of wat dan ook kwam in dat zinnetje niet voor: ze had het over “onze manier van leven”) heb ik bij die superioriteit toch wel enige kanttekeningen te plaatsen, want “onze manier van leven” waar Rutten zo lyrisch over deed, is voor mij in hoofdzaak gebaseerd op drie G’s: Geweld, Geluk, en Gezond Verstand.

Wanneer het water deze regering weer eens begrotings- of andersgewijs aan de lippen staat, dan wordt er telkenmale vlot teruggegrepen naar dat “Ja maar, het is allemaal de schuld van de sossen. Diè hebben de boel hier in de voorbije decennia laten verloederen”. Voorbeeld bij uitstek, vers van de pers: de Turteltaks. En dan volgt er geheid weer een discours wat er op neerkomt dat de nieuwe meesters nu wel zo hard moeten zijn om de stinkende wonden die de zachte heelmeesters uit het verleden hebben nagelaten, te genezen. Waarna men besluit met “Er is geen alternatief”.

Wanneer Trump zich terugtrekt uit het Klimaatakkoord van Parijs, dan reageren wij verontwaardigd want uiteraard dragen de Verenigde Staten, als grootste globale vervuiler, een enorme historische verantwoordelijkheid met zich mee, waaraan zij zich  lijken te willen onttrekken. En dat kan niet, vinden de meesten onder ons.

We kijken dus, in sommige gevallen, graag en veel naar het verleden om het heden te rechtvaardigen of verklaren. Maar wanneer wij de woorden “superieure samenleving” in de mond nemen, dan heb ik het gevoel dat wij ons met even grote graagte in een soort historische amnesie laten onderdompelen, om niet te hoeven nadenken over hoe wij eigenlijk op dit punt zijn aanbeland. En zo kom ik tot mijn eerste G: Geweld.

Altijd zul je, in het soort analyses als ik hier probeer te maken, op dit heikel thema terechtkomen: de kolonisatie. In Brussel, Oostende, Ekeren, Halle en ongetwijfeld nog andere plaatsen staat tot op heden nog het standbeeld van Leopold II, koning der Belgen, die tijdens zijn bestuur over Congo meer Congolezen om het leven heeft laten brengen dan Hitler Joden heeft vermoord en in de totale rangschikking van massamoordenaars op plaats nummer vier staat, na diezelfde Hitler, Stalin en Mao. Er zijn velen die beweren dat we nu eindelijk eens moeten stoppen met achterom te kijken naar dat onsmakelijke verleden en dat we al voldoende mea culpa’s hebben geslagen. Ik ben het gedeeltelijk eens: the sins of the father shall not be visited onto the sons and daughters. Dat lijkt mij een even gezond principe als dat “onschuldig tot bewijs van het tegendeel”. En als die zonen of dochters zelf fouten begaan, moeten zij op diè fouten aangepakt worden en niet op die van hun “vader”. Maar dat verleden blijft volgens mij wel degelijk vandaag nog doorwerken. Is het namelijk zo onredelijk te denken dat, zonder die massale upgrade die Leopold aan Brussel heeft gegeven door middel van de rijkdommen die uit Congo werden geroofd, die voormalige derderangsstad nooit tot het centrum van de Europese instellingen, nooit tot het Europese centrum van de Navo, was geworden ? De inkomsten (en het prestige) die daaruit voortvloeien voor dit land zijn enorm. Wanneer men het heden ten dage over de Europese Unie heeft, wordt die dikwijls afgekort tot “Brussel”. Voor dàt “Brussel” hebben Congo’s gestolen rijkdommen de oprijlaan geplaveid. En we hebben ook altijd de mond vol van de Industriële Revolutie, die onze contreien hier naar een tijdperk van hernieuwde, ongekende welvaart heeft gekatapulteerd, en we slaan ons zelfvoldaan op de borst en zeggen: “Kijk eens wat we hier allemaal hebben gerealiseerd !” Maar een industrie zonder grondstoffen is als een café zonder bier natuurlijk, het stelt niets voor. Dus zijn we die grondstoffen gaan zoeken waar ze zaten: de kolonisatie als de lopende band die de machines van de industriële revolutie moesten voeden. En die lopende band, die blijft tot op vandaag nog altijd onverminderd doorlopen.

Wanneer we het hebben over iets minder best-of-class regimes, dan grijpen we ook nogal graag terug naar de term “bananenrepubliek”, maar we stellen ons geen vragen meer bij de oorsprong van die term. De doorsnee-Vlaming zal antwoorden dat het verwijst naar “apenlanden”, en dat apen nu eenmaal bananen eten. Een minderheid zal nog beseffen dat de waarheid in een ander hoekje schuilt en dat het in oorsprong gaat om westerse bedrijven, het Amerikaanse United Fruit Company (later Chiquita) op kop, die in een aantal Latijns-Amerikaanse landen, met behulp van corrupte regimes hun economische en politieke macht hebben doorgedrukt, ten koste van de lokale bevolking. In 2007 kreeg Chiquita een boete van 25 miljoen US dollar opgelegd door het US Justice Department omdat het Colombiaanse paramilitaire groeperingen steekpenningen had betaald om lokaal personeel van Chiquita bescherming te verlenen in gebieden waar de bevolking zich niet altijd goedschiks bij de gang van zaken neerlegde. Wanneer wij dus bij een bezoek aan de supermarkt met een trosje Chiquita bananen buitenstappen, hangen daar verhalen aan vast die we liever niet willen geweten hebben.

Hetzelfde geldt voor ons drugsgebruik. Steeds, als het daarover gaat, wordt er met een beschuldigende vinger gewezen naar de grote producerende landen zoals (alweer) Colombia, Peru, Ecuador, Afghanistan …. . Maar er is natuurlijk geen aanbod wanneer er geen vraag is en die vraag, die zit in overweldigende mate in de westerse, “superieure” wereld. Antwerpen en de buurt rond het Zuid is zowaar het Cocaine Central van Europa. Het verbruik per duizend inwoners ligt er hoger dan in gelijk welke andere grootstad van de ons omringende landen. Maar voor elk lijntje dat men hier snuift, worden er aan de andere kant van de wereld mensen meedogenloos uitgebuit en sterven velen onder drugsgerelateerd geweld.

Diamant: nog zo een dubieus product. Miljarden inkomsten voor de Belgische staat, maar tot het begin van de eenentwintigste eeuw (en voor een stuk vandaag waarschijnlijk nog) financierde de zogenaamde “bloeddiamant” (burger)oorlogen in verschillende Afrikaanse landen. Antwerpen, als grootste diamantcentrum ter wereld, was de transitplaats waar veel van die bloeddiamant in het officiële circuit terecht kwam en hoewel de sector sedert 2003 via de Kimberley-certificaten aan zelfregulering heeft proberen doen, kan men zich gerust afvragen hoever de situatie op dat moment al de spuigaten was uitgelopen en, met andere woorden, hoe lang wij al reusachtige inkomsten uit die handel hadden gewonnen alvorens nog maar te beginnen er iets aan te doen.

Ik zou nog met ettelijke voorbeelden meer kunnen opdraven, waarvan ik geloof dat het  geweld (in een zo breed mogelijke betekenis) een in grote mate onzichtbare, maar niettemin zeer reële kracht is die onze samenleving voedt: onze iPhones waar chinese Foxconn werknemers 16 uur per dag op labeuren of zelfmoord plegen, onze goedkope T-shirts waardoor naaisters in Bangladesh bedolven worden onder het puin van hun instortend atelier enz …

Natuurlijk is het niet mijn bedoeling ieder van ons met de vinger te wijzen en te zeggen: “Kijk eens wat jij allemaal uitricht !” want op de meeste van de aangehaalde zaken hebben wij allemaal, als individu, weinig tot geen impact. Maar het noopt bij mij wel tot zelfreflectie: zijn wij, als bevoorrechte samenleving, echt wel zo superieur als de rest ? Mochten wij voor al onze grondstoffen aan de landen die ze voortbrengen een faire prijs betalen, mochten wij voor al onze textiel en electronica een prijs betalen waarvan de Aziatische arbeiders een waardig loon kunnen krijgen, mocht de diamanthandel zich verplaatsen uit België, mocht de Europese Unie zijn hoofdzetel hier niet hebben gevestigd, zou er dan voldoende geld zijn om onze sociale zekerheid, onze pensioenen, onze werkloosheidsuitkeringen, onze infrastructuur en zo meer te betalen, of zou ons sociaal model dan ook onder druk beginnen staan ? En hoe zou dat onze manier van samenleven beïnvloeden ? Een open vraag, maar me dunkt het overwegen waard.

Maar daar houdt die bescheidenheid, welke ik vind wij aan onszelf verplicht zijn, nog niet op. Want naast de factor “Geweld”, is er ook de factor “Geluk”.

Toen in 1951 de voorloper van de huidige Europese Unie, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, via het Verdrag van Parijs werd opgericht, bleek al meteen welk een explosief gegeven de aanwezigheid van grondstoffen was. Deze EGKS werd opgericht om “oorlogen tussen de erfvijanden Frankrijk en Duitsland “materieel onmogelijk te maken” door “de gehele Frans-Duitse productie van kolen en staal te plaatsen onder een gemeenschappelijke Hoge Autoriteit”. Die grondgedachte, het vermijden van oorlog door een gemeenschappelijke controle over grondstoffen in het leven te roepen, werkt nog steeds tot op de dag van vandaag.

De aanwezigheid van grondstoffen in een land kan een zegen zijn, zoals de ontginning van steenkool gedurende verschillende decennia de ontwikkeling van de Belgische economie heeft ondersteund of zoals de aanwezigheid van olie in de Golfstaten ongekende rijkdom heeft bewerkstelligd (for the few, not for the many).

De gevaren van het grondstoffenmodel zijn echter legio en overduidelijk. Landen die bijvoorbeeld een overvloed aan olie bezitten, raken er als het ware aan verslaafd en slagen er amper in een meer gediversifieerde economie te ontwikkelen. Saudi-Arabië en Venezuela zijn bekende voorbeelden. De ontginning van die grondstoffen zijn meestal ook even zovele maatschappelijke en ecologische aanslagen op de plaatsen waar ze gebeuren: het trekt diepe littekens in het landschap, het dwingt dikwijls hele bevolkingsgroepen tot verhuizen en het vaak giftige afval zorgt voor vervuiling en waterverontreiniging. En heel vaak zijn grondstoffen ook de directe aanleiding tot oorlog.

Dichter bij huis, in onze straten, zien wij nog zo een “neveneffect” van die grondstoffeneconomie, want toen in de jaren zestig onze steenkoolmijnen en staalproductie op volle toeren draaide, gingen wij gastarbeiders (zoals we ze toen nog noemden) zoeken, eerst in Italië, later in Griekenland en tenslotte in Turkije en Marokko. Die gastarbeiders (en hun nazaten), die onze economie mee hebben helpen opbouwen, die onze rijkdom mee hebben helpen opbouwen, wordt nu door een niet verwaarloosbaar deel van onze bevolking veracht en verwenst, want nu legt die bevolkingsgroep een, volgens sommigen, onaanvaardbare druk op de maatschappij. Dit gedrag is voer voor weer een andere discussie, maar het is wel de steenkool die aan de oorsprong ligt van dit fenomeen.

Met alle voornoemde effecten van de aanwezigheid van grondstoffen, zou ik het dus een geluk willen noemen dat we er hier, in onze contreien, niet meer van hebben. Daar hebben wij, als burgers, als samenleving, geen enkele bijdrage aan geleverd: het is gewoon zo. Landen die wèl rijk zijn in grondstoffen, vergaat het doorgaans minder goed, en echt niet enkel door hun eigen wanbeheer. Daarom dat ik nogmaals vind dat wat meer bescheidenheid ons wel zou sieren, want in verschillende opzichten hebben we gewoon geluk gehad op dit stukje aarde te zijn terechtgekomen.

Kijk ook maar naar ons klimaat: doorgaans kreunen wij hier niet onder de droogte (als de laatste weken een aanwijzing zijn, dan kan daar misschien verandering in komen), wij weten amper hoe een aardbeving voelt, wij moeten googelen om terug te vinden wanneer de laatste windhoos hier is gepasseerd, tsunami klinkt duidelijk Japans en daar hebben wij dus geen boodschap aan en hagelstenen als kleine duiveneieren zo groot tijdens een match van de Rode Duivels zijn zowat het ergste wat wij ons kunnen voorstellen. Bekijk gerust eens beelden van gebieden die kreunen onder jarenlange droogte, van gebieden die zonet tegen de grond zijn gegaan door een aardbeving, van dorpen die vernield zijn door een vulkaanuitbarsting. En kijk dan eens of u nog in eer en geweten kunt beweren dat wij geen ongelooflijk geluk hebben hier. Geluk waar wij, alweer, als mens, geen enkele bijdrage hebben aan geleverd (behalve een negatieve in de laatste eeuw). Ik zal het nog iets straffer stellen: wij hebben gewoon “hoerenchance”, en dat stemt mij ongelooflijk dankbaar, maar vooral ook zeer nederig ten opzichte van anderen voor wie het leven een dagelijkse struggle for survival is en de natuur een vijand in plaats van een bondgenoot.

Rest mij nog de laatste G, die van het Gezond Verstand.

Want uiteraard hebben wij een heel aantal zaken, waar we wèl impact op hadden, wèl juist gedaan. Vaak via de weg van voortschrijdend inzicht, want ook wij stuurden aanvankelijk onze kinderen de fabrieken in om er voor een hongerloon te werken; ook wij beschouwden vrouwen als een kinder-producerend ornament bij de haard en aan de afwas … Tot we er achter kwamen dat, wanneer je de taart groter maakt voor iedereen, iedereen er wel bij vaart; dat oorlog aleen maar dood en vernieling zaait terwijl iedereen eigenlijk alleen maar welvaart en vooruitgang wil. Tot we achter zoveel dingen zijn gekomen die we in verdragen en in wetten hebben gegoten, die we in vele organisaties vorm hebben gegeven, die we in ons dagdagelijkse leven in praktijk proberen brengen, dat we tot de maatschappij zijn gekomen waar wij nu in leven. En waarin het goed is om leven. En daar mogen we terecht trots op zijn.

Maar zelfs deze maatschappij is nog verre van perfect en is een “werk-woord”. Dat werken doe je niet door neer te kijken op anderen, maar ondermeer door te leren van anderen. De Chinese wijze Confucius zag het zo: “Telkens wanneer er drie mensen over straat wandelen, is er een leraar van mij onder hen”. Misschien, zoals uit het laatste nummer van MO* blijkt, kan Oeganda ons iets leren over hoe we met vluchtelingen moeten omgaan. Misschien kunnen we van Bhutan of Bolivia leren hoe we respectvol met de natuur kunnen omgaan …

Superioriteitsdenken maakt blind en blindheid is iets wat we in dit tijdsgewricht kunnen missen als kiespijn. Het liep bij Johan Verminnen, vier hoog daar in de Brusselse wolken, niet goed af. Het raakte uit met zijn lief.

 

Leest u ook nog wel eens de media ? Drukt u ook nog wel eens op die afstandsbediening van de TV op een moment wanneer de Rode Duivels nièt spelen ?

Dan bent u er ongetwijfeld de laatste tijd ook vaak mee geconfronteerd: het Grote Verhaal van de Normen en Waarden. Steevast voorafgegaan door “westerse” of, voor wie het nog een tikkeltje exclusiever wil, “Europese”, maar altijd zijn het “onze” normen en waarden.

Het roept bij mij telkens de vraag op of de rest van de wereld zijn normen soms is verloren bij het stofzuigen en dan maar besloten heeft een waarde(n)loos bestaan te gaan leiden, aangezien die eeuwige nadruk op “ònze normen en waarden” lijkt te suggereren dat er daarbuiten enkel maar Het Grote Niets is, een grijze, dikke soep van dichte mist die elke andere norm en waarde vervaagt.

Wie zichzelf reeds een redelijke pief waant maar zijn figuur media-gewijs toch nog een upgrade wil geven, die plakt er heden ten dage dan ook maar meteen een discours over “de Verlichting” aan vast. Wanneer men er naar luistert, is het alsof de aboriginele Vlaming, behalve zijn spreekwoordelijke  baksteen, ook die Verlichting via de moederborst heeft meegekregen. Al die nieuwe Vlaamse filosofen zouden misschien nog een oplossing kunnen bieden voor Joke Schauvliege’s probleem, want ze lijken met bosjes uit de lucht te vallen. “Elk nadeel hep se voordeel”, weet u wel ? En toch stemt het mij allemaal een beetje argwanend, zeker wanneer ik dan Vlaanderens huis-, tuin- en praatprogramma-filosoof Etienne Vermeersch, een man wiens stellingen niet altijd mijn eenduidige goedkeuring wegdragen, maar die ik wel als een gerespecteerd denker beschouw, in De Morgen van 21 juni ll. hoor beweren: “JDC (nvdr: Joël De Ceulaer, journalist bij De Morgen) zet zijn betoog verder met een verwijzing naar mij, als ‘belichaming’ van de verlichting. Hij doet mij te veel eer aan. Hoewel ik mij als een mens van de verlichting beschouw, heb ik daarover onvoldoende gewerkt om mij echt deskundig te noemen.” Wanneer zo iemand dat zegt, geeft dat toch wel een beetje te denken over de deskundigheid waarmee sommige anderen de krantenkolommen vullen en ook wel over de intentie erachter: de Verlichting als kampvuur op het strand van het eigen grote gelijk.

Wild Afrika heeft “the big five”, maar wanneer men het vandaag in Europa heeft over de Verlichting, beperkt men het meestal tot deze Grote Drie: de enige scheidingen die als een succes worden gezien, namelijk die tussen Kerk en Staat en die tussen de verschillende machten; democratie met zijn broertje, de vrijheid van meningsuiting; en tenslotte de gelijkheid van iedereen, met een speciale focus op de gelijkheid tussen man en vrouw. Na mijn inleiding zal het u misschien verbazen, maar er is geen haar op mijn hoofd dat er aan denkt op eender welk van deze drie kenmerken ook maar iets af te dingen. Het zijn stuk voor stuk realisaties, het ene al wat afgewerkter dan het andere, waar ik volledig achter sta en ja, zelfs trots ben om tot een gemeenschap van mensen te behoren die ze als hun leidraad heeft genomen. Waarom dan dit stuk ? Voornamelijk om twee redenen: eerst en vooral omdat ik vind dat, in een wereld die wel geplaagd lijkt door een continentendrift  van allerhande soorten visies, een beetje meer nederigheid ons wel zou sieren. Geen mens die vandaag nog met de titel “missionaris” op zijn naamkaartje zou willen rondlopen, maar dikwijls gedragen we ons wel zo naar de buitenwereld. En ten tweede, omdat het mij stoort dat de idealen van de Verlichting voor ons precies een soort finaliteit zijn geworden: wij hebben onze schaapjes mooi op het droge, “onze normen en waarden” zijn het nec plus ultra van wat er binnen en ver buiten dit universum te vinden is, wij zijn helemaal Kant en klaar. Maar is dat wel zo ?

Laat me beginnen met die nederigheid.

Ik heb het vaak genoeg gehoord: “Braaf zijn is geen gave”, dus soms moet men wel eens zijn stoute schoenen aantrekken en opkomen voor waar men in gelooft. Daar is niets mis mee. Maar als men die stoute schoenen aantrekt, moet men wel zorgen dat men er ook recht in staat. En daar schort het soms een beetje. Wanneer de realiteit vaak niet de inhoud weerspiegelt van dat grote Idee waar men zich als aanhanger van profileert, wordt het moeilijk. Het begon eigenlijk al van meet af aan, zoals David Van Reybroeck ons in zijn boekje “Tegen Verkiezingen” aantoont. Of het nu in de Verenigde Staten was of in Frankrijk “de tendens (was) duidelijk: de republiek die de revolutionaire leiders in gedachten hadden en zouden vormgeven, moest eerder aristocratisch worden dan democratisch” (p. 81). En zo geschiedde: reeds van in de prille beginjaren van de revolutie die de Verlichting als sponsor binnenhaalde, werd de stem van het volk in de mate van het mogelijke gesmoord. Zo raakte initieel de Verlichting voor brede lagen van de bevolking niet voorbij de fase van de verzuchting. En ook al is er sedertdien een enorme evolutie geweest, het heeft de leiders van dit continent, ondanks onze verlichte geest en de robuustheid van “onze normen en waarden”, er in de voorbije eeuwen niet van weerhouden bij herhaling niet alleen onszelf, maar ook en vooral de rest van de wereld in brand te zetten, hetzij via kolonisatie, hetzij via wereldoorlogen maar in beide gevallen met even catastrofale gevolgen. De exportversie van onze Verlichting deed in vele gebieden het licht uit. Wanneer dus die krantenfilosofen zichzelf weer eens tot een kind van de Verlichting bekennen, heb ik het gevoel dat zij dat liefst beperken tot pakweg iets meer dan de laatste halve eeuw en dat veel van wat daarvoor kwam, met graagte met de mantel der liefde wordt bedekt. Met andere woorden, onze Verlichting is nog een couveusekindje in het aanschijn van de geschiedenis en de mantel der liefde zit vergeven van de motten.

Oorlogen mogen dan al de meest voor de hand liggende smet zijn op ons “normen en waarden”-blazoen, maar ook in de wondere wereld van de economie zitten er nogal wat dissonanten op ons leitmotif. Heeft u iemand van onze politici het al over “onze normen en waarden” horen hebben in economische context ? Indien ja, zal ik het graag van u vernemen. In die zeer specifieke context, lijkt het mij dat dat normen- en waardenverhaal heel dikwijls wordt vervangen door “onze belangen” en al wat tegen die belangen indruist moet best niet op “onze normen en waarden” rekenen om er heelhuids onderuit te komen. Ik zal in deze de zadenpolicy van Monsanto niet met name noemen. Ik zal ook niet verwijzen naar de ISDS (Investor-State Dispute Settlement”)-clausule die ter tafel ligt in de TTIP onderhandelingen. En ik zal tenslotte geen melding maken van het feit dat Panama- en andere papers, belastingontduiking, afkoopwetten en off-shore constructies even zovele oplawaaien zijn aan de ons zo geliefde “egalité” en de “fraternité”. De “Liberté” blijkt toch al te vaak iets voor wie het zich kan permitteren.

En zelfs op religieus vlak, vandaag hèt strijdtoneel bij uitstek waar wij onze Europese superioriteit, omwille van die scheiding tussen Kerk en Staat, graag benadrukken, zou ik willen pleiten voor wat meer nederigheid. Wij, die ons nu trots beroepen op de christelijke traditie, slepen immers zelf een ontstellende geschiedenis van godsdienstoorlogen, kruistochten en andere religieuze waanzin achter ons aan. Het zijn even zovele tatoeages op onze westerse huid die er voor de eeuwigheid niet meer uitgaan. Ook dichter bij ons dagelijks leven, ons superdiverse nù, pleit ik voor wat meer nederigheid, gebaseerd op het feit dat het schier onmogelijk is alle fenomenen die zich op ons netvlies afspelen ten volle te begrijpen. Terwijl ik wat ideetjes zat te verzamelen voor deze tekst, moest ik plots weer denken aan de praktijk van het voetenbinden in China. Daar werden van oudsher de voeten van de meisjes reeds op zeer jonge leeftijd met windsels zo hard ingesnoerd dat de botten braken en de groei werd geremd, zodat zij, in het beste geval, mooie “lotusvoetjes” (ideaal niet meer dan tien centimeter groot) zouden krijgen. Dergelijke voetjes zouden enerzijds een verbazend erotiserend effect hebben gehad op de mannelijke helft van de chinese bevolking, maar terzelfdertijd, volgens de algemene consensus, ook een middel zijn geweest om de vrouw te onderdrukken en haar aan de haard-met-bijhorend-crocheerwerk te houden. Wat bij dit narratief zelden of nooit wordt vermeld, maar door zowel Wang Ping in “Aching For Beauty” als door Dorothy Ko in “Cinderella’s Sisters” overtuigend wordt aangetoond is dat deze praktijk, ondanks verschillende uitroei-campagnes van een aantal “verlichte” keizers, tot diep in de eerste helft van vorige eeuw is blijven bestaan … omdat de vrouwen er aan vasthielden. Na elke campagne stak het weer de kop op, en wel omdat mooie lotusvoetjes dè sleutel waren naar een hogere sociale positie. Een moeder die uit medelijden met haar kind haar voetjes niet hard genoeg aanbond, moest het ontgelden vanwege haar dorpsgenoten omdat zij de toekomst van haar dochter hypothekeerde. Het leven zoals het is … Moet dit het bestaan van het gebruik dan maar rechtvaardigen ? Allerminst. Het streven moet zijn om die sociale mobiliteit zònder jaren van afgrijselijke pijn tot stand te brengen. Maar het geeft aan dat er dynamieken bestaan die verder gaan dan wat er aan de oppervlakte zichtbaar is en zich buiten ons referentiekader bevinden. Dus als we dat eens in het achterhoofd zouden willen houden telkens we in die “welles-nietes” hoofddoeken- en/of boerkini-discussie belanden, dan denk ik dat de kansen op een zinnige dialoog toenemen.

De verworvenheden van het model van de Verlichting moeten wij, die er mee zijn opgegroeid, met alle mogelijke middelen omarmen, precies omdat ze zo goed en waardevol zijn. Maar we moeten het model wel constant in vraag blijven stellen, want uiteindelijk is het niet meer dan dat: een model. Zoals onze Moeder Aarde een planeet is. Wij kunnen ons (nog) niet voorstellen op een andere planeet te leven, maar ze zijn er wel. Met hopen. En zo zijn er ook een massa andere samenlevingsmodellen, die allemaal vanuit hun eigen specifieke context zijn gegroeid: patriarchale, matriarchale, animistische, atheïstische, Amish, chassidische, zigeuner, hippie, kibboets … en uiteraard islamitische modellen. En zo kom ik stilaan bij mijn tweede punt. Wij gedragen ons soms als zouden we een afgewerkt product zijn, een IKEA-bouwpakket waar door de juiste vijsjes op de juiste plaatsen in de juiste planken te draaien een pracht van een kast uit is ontstaan. Een kast waar je terecht trots op bent en die to-taal past in het interieur van je huis. Maar, zoals een chinese sofist ooit beweerde dat een wit paard geen paard was, zo is een lege kast misschien ook wel geen kast. Het is de inhoud die die kast waardevol maakt.

Ik ben blij met de succesvolle opbouw van die kast, maar het stoort mij soms dat wij die prestatie lijken te beschouwen als “doel bereikt”. Of zoals een andere “verlichte” geest het een aantal jaren geleden formuleerde: mission accomplished. Iemand vroeg zich onlangs af waarom de integratie, de “multi-kulti”, ogenschijnlijk heeft gefaald. Een terechte vraag, want als ons model zo superieur zou zijn, hoe komt het dan dat zovelen er niet lijken voor te vallen ? Dus ik antwoordde dat, naar goede aloude Belgische wafelijzergewoonte, wij naast de vraag waarom de integratie heeft gefaald , onszelf ook moeten afvragen waarin ons model tekort schiet. Waarom slaat het schijnbaar niet aan bij vele nieuwkomers ? Het wordt tijd dat we de deuren opengooien en gaan kijken naar de inhoud van onze kast.

Zo komt het mij telkens als zeer vreemd voor dat vele van onze leiders, wanneer zij weer eens de superioriteit van ons model bewieroken, vaak verwijzen naar “de joods-christelijke traditie”. Wij propageren dus met alle mogelijke middelen de seculiere staat, maar grijpen terug naar religie als verklaring voor waar het succes vandaan komt. Het lijkt mij het soort spagaat waarvan wij er net iets te veel kennen om gezond te zijn: de gelijkheid tussen man en vrouw van de daken schreeuwen, maar Saudi-Arabië bondgenoot noemen; ons (terecht) op de borst slaan dat wij voor de laaste zestig en wat jaar in Europa oorlogsvrij zijn gebleven, maar wel massaal wapens exporteren naar andere delen van de wereld, wapens die nu in bepaalde gevallen rechtstreeks tegen ons worden gericht; “100% recycleerbaar” zetten op onze computers en ze dan verschepen naar China of Afrika om daar in verschrikkelijke omstandigheden te worden “gerecycleerd”; schone lucht kopen op de beurs en ondertussen zelf blijven vervuilen; de arbeidsomstandigheden in eigen land bewaken, maar geen probleem hebben om de productie van de eigen high-tech producten en kleding in Aziatische sweatshops te laten gebeuren; in onze buitenlandse betrekkingen overal de lof der democratie bezingen, maar achter de schermen dictators steunen. De lijst kan nog wel eventjes doorgaan, maar van alle bovengenoemde activiteiten zijn er reële slachtoffers, die op een dag op een gammel bootje onze stranden bereiken.

Onze Verlichting is ons fundament en het staat als een rots. Maar we hebben de keuze: we kunnen er een Victor Horta of de eerste de beste prefab bovenbouw bovenop plaatsen. Dat verandert niets aan het fundament, maar wel aan wat de wereld te zien krijgt. En uiteindelijk is het dat wat telt.

(Dit is een antwoord op de opiniebijdrage van Luckas Vander Taelen “Buffalo’s: Volkse folklore zonder racisme” op http://www.deredactie.be dd. 18/03/2016)

Beste Luckas,

William Frederick “Buffalo Bill” Cody stierf op 10 januari 1917.

De laatste keer dat hij met zijn Wild West show doorheen Europa toerde was van 1902 tot 1906. Wanneer jij schrijft: “Dat dateert van toen de Wild West Show in 1924 een groot succes kende en voetbalsupporters daardoor beïnvloed hun ploeg spontaan met “Buffalo, Buffalo” begonnen aan te moedigen.”, lag Buffalo Bill dus al zeven jaar in zijn graf en was het al 18 jaar geleden dat die Wild West Show nog op het Oude Continent was geweest. Het lijkt mij dat, wanneer men een opiniestuk wil schrijven, het van redelijk belang is dat men allereerst de feiten juist op een rijtje krijgt. In dit geval, quod non. Wat mij doet vermoeden dat je, net als ik, ook niet ideaal geplaatst bent om te beoordelen om welke reden precies die indiaan op het logo van A.A. Gent is verschenen. Waarom staat daar bijvoorbeeld niet de kop van Buffalo Bill zelf op ? Zou die misschien portretrecht hebben gevraagd en ging men dus maar voor gratis ? Weet jij het ?

Ik zou me niet aan deze repliek hebben gewaagd, indien het daarbij was gebleven, want in wezen ben ik het wel met jouw uitgangspunt eens: in de oorlog moet men zijn veldslagen weten te kiezen en de veldslag die deze mevrouw, Suzan Sown Harjo, hier mogelijks wil leveren, lijkt mij inderdaad niet de meest nuttige, precies door het beperkt aantal indianen in deze contreien.

Maar toen stootte ik op dat ene zinnetje, dat zinnetje dat heel je tekst ineens doorverwees naar waar het thuishoort: in de versnipperaar van ons geheugen.

“Le ridicule ne tue pas”, schreef je. En je voegde er, cheek in tongue, nog aan toe: “Anders was ze waarschijnlijk meteen na dit interview doodgevallen.” … Beste Luckas, wie in godsnaam ben jij om iemand anders te gaan vertellen waarover hij of zij wel of niet verontwaardigd mag zijn en ze daarom te gaan ridiculiseren ? En waarom is het zo ver gegrepen te denken dat het mogelijk zou kunnen zijn dat een jongen aan de overkant van de Grote Plas intens verdriet voelt bij het zien van deze vlag, wanneer het al reeds zo vaak bewezen is dat hele massa’s mensen aan de andere kant van de wereld tot razernij kunnen worden gedreven door een klein cartoontje in een obscure krant van bij ons ?

Je hebt het over volkse folklore zonder enig racistisch element. Ik wil best meegaan in die redenering. Maar laat ons eens een andere situatie bedenken die ook had gekund. Stel bijvoorbeeld dat er in die tijd een net zo exotische passage was geweest van een groep boeddhistische monniken die naast die terreinen van A.A. Gent hun kamp hadden opgeslagen en tijdens hun meditatie de “ohm-mani-padme-uhm” incantatie ten gehore hadden gebracht. Dan hadden de A.A. Gent supporters nu misschien die mantra op de tribunes zitten zingen, omdat ze daardoor zo gefascineerd waren. Maar misschien hadden die monniken ook wel een afbeelding van zo een Boeddha met lange oorlellen bijgehad, met daarbij een swastika en was toen misschien dàt als symbool op de clubvlag verschenen. Alles leek toen blijkbaar mogelijk als clubsymbool, nietwaar, never mind dat er in Vlaanderen in geen velden of wegen een indiaan of een boedddhist te bespeuren viel ? Daar zou toen, nog bijna twee decennia voor WOII geen schijn van racisme of fascisme aan de grondslag van hebben gelegen, dus het had perfect gekund. Maar geloof jij zelf dat, indien die boeddha met die swastika toen, in het begin van de 20ste eeuw, het clubsymbool was geworden, die swastika nu nog altijd op die vlag zou staan ? Ik denk het niet, omdat het ons te zeer doet terugdenken aan het leed dat ons onder het teken van de (omgekeerde) swastika is aangedaan. Ik haal het voorbeeld aan, omdat het nog maar enkele jaren geleden is dat er in Gent, bij de renovatie van het vroegere Sarmacomplex, een hakenkruis in baksteen in de top van een gevel werd ontdekt. Het gebouw dateerde van 1959. De burgemeester vroeg de aannemer het symbool te verwijderen.

Maar aan een indiaanse, erfgenaam van het leed van één van de grootste genocides uit de recente wereldgeschiedenis, daaraan ontzeg jij het recht op de pijn om het verleden van haar volk. We hebben ze al eens allemaal (of ei zo na) gedood, ze moeten nu maar dood blijven en zwijgen: is dat de manier hoe we hier mee omgaan ?

Ik geef toe, die indiaan op die vlag ziet er waardig uit, maar hoe zou jij je voelen, Luckas, als de kop van jouw overgrootvader staat te pronken op de vlag van een bevolkingsgroep die precies aan die overgrootvader zijn kop heeft gekost, met andere woorden als de aartsvijand, de blanke, jouw kop als een scalp op een vlag keer op keer in jouw gezicht wrijft ? Waarom maakt die vrouw zich druk ? Omdat symbolen er toe doen, Luckas. Altijd. Voor iemand.

En die indiaan op die vlag mag dan wel kracht en strijd uitstralen, maar je weet toch hoe het er aan toe ging in die “Wild West Show” van Buffalo Bill ? Inderdaad, zijn indiaanse “acteurs” werden naar het schijnt met het nodige respect behandeld, maar tijdens de show waren het toch maar zij die een postkoets en een trein overvielen. Ambiance ! Maar het hedendaagse equivalent daarvan zijn gemaskerde bandieten die een geldtransport overvallen. Sympathiek is anders. Dus ik hou mijn oordeel over waarom precies die indiaan op die clubvlag terecht kwam in beraad tot ik er het fijne van weet. Folklore ? Waarschijnlijk. Maar folklore hoeft niet per se onschuldig te zijn. Kijk maar naar ons oordeel over de jaarlijkse walvissenslachting op de Far Öer eilanden: folklore voor de plaatselijke bevolking, massamoord voor een groeiend deel van de rest van de wereld.

Ik was blij dat je, in deze discussie, het (voor de hand liggende) voorbeeld van Zwarte Piet aanhaalde, want het is typisch in deze context. Te vuur en te zwaard heeft het Westen ik weet niet hoeveel tradities van andere volkeren naar de Eeuwige Jachtvelden geholpen, maar ho maar  wanneer er iemand van die tegenpartij onze tradities in vraag durft te stellen of riskeert er een onvertogen woord over te zeggen. Het is maar folklore, meneer. We zijn toch zo lief, mevrouw. Ik kan het iedereen aanraden om eens de commentaren op een internetforum te gaan lezen waar dat onderwerp ter sprake komt en mij dan nog zonder blikken of blozen te komen vertellen dat er geen racisme met die “folklore” gepaard gaat. Wat wij nog steeds niet schijnen te begrijpen is dat wij, het Westen, in de voorbije eeuwen de hele wereld hebben opengegooid -geglobaliseerd zoals dat heet- op zoek naar markten, werkkrachten en grondstoffen. En macht natuurlijk. In dat proces, zijn wij steeds gewoon geweest zelf het hoge woord te voeren. Maar in zo een wereld staat niets of niemand stil natuurlijk: ook de rest wordt mondiger en gaat aan het denken en komt dan, vroeg of laat, – o ramp ! – aangehold met een aantal vervelende waarheden en vragen. Wat jouw stuk bewijst, is dat wij op dat soort mensen en vragen totaal niet voorbereid zijn en geen antwoord hebben. We hoeven inderdaad, zoals je impliceert, onszelf niet voor alles en nog wat uit ons verleden in het beklaagdenbankje te gaan stellen, maar wanneer er iemand opdaagt die rekenschap vraagt over een feit, dan hoop ik dat we in het vervolg beter kunnen doen dan enkel dit “Le ridicule ne tue pas.”

En tenslotte: laat ons niet ook nog de fout maken de gedrevenheid en overtuiging van deze mevrouw Harjo te onderschatten. Uit Wikipedia: “Activism by Harjo and others has resulted in dramatic changes in the sports world since the late 20th century: by 2013 two-thirds of teams with American Indian mascots had dropped them due to these public campaigns by Harjo and others”. Ik hoop, net als jij, dat heel deze affaire koelt zonder blazen omdat het zo een geringe relevantie heeft in deze contreien, maar zeg niet dat ik je niet heb gewaarschuwd.

Met vriendelijke groet.

Open brief aan het UCI

Posted: March 20, 2016 in Crime, Facebook, justice, Sports

(Deze post heb ik oorspronkelijk gepubliceerd op Facebook op 16 maart 2016)

0025

(foto via Sporza)

Beste bestuursleden van het UCI,

Femke Van Den Driessche is 19 jaar oud.
(pauze) (stilte) …
Ik herhaal: Femke Van Den Driessche is 19 jaar oud.
(pauze) (stilte) …
En volgens u komt zij in aanmerking voor levenslang … (stilte)

Femke Van Den Driessche, die, zoals u ongetwijfeld al hebt vernomen, 19 jaar oud is, heeft uw uitspraak niet afgewacht en heeft zelf haar conclusie gisteren al getrokken: zij hangt haar fiets aan de haak. Het motortje in haar hoofd sloeg niet meer aan, vermoed ik. Veldrijden is voor haar het verleden. De toekomst ? Die hangt daar voorlopig bij haar fiets, niets te doen.

Ik zat gisteren op kantoor, toen mijn wielertoeristische collega langskwam en zei dat Femke Van Den Driessche had beslist te stoppen met veldrijden.
“Ze is pas 19”, zei hij er nog bij.
“Jammer voor haar”, zei ik, nog half in mijn spreadsheets gedoken en dus ook met aandacht maar op half.
“Inderdaad”, zei mijn collega, “maar met een levenslange schorsing en een boete van 50.000 EURO als een zwaard van Damocles boven haar hoofd zat er niet veel anders op, zeker ?”

Ik garandeer u, beste bestuursleden: de tijd dat het kost om met zo een mededeling de aandacht van “half” naar “full” te krijgen is een fractie van een seconde. Veel minder, in ieder geval, dan u nodig heeft om “le-vens-lang” uitgesproken te krijgen. Ik geef toe: het WK veldrijden lag ook al weer een paar weken achter ons en ondertussen had de Kannibaal twee Sportpaleizen laten vollopen en dan gaat zo een Femke-historie al een beetje aanleunen tegen de uitgang van het geheugen. Spijtige zaak, maar wie een fout maakt moet op de blaren zitten en patati en patata, so let’s move on. Zo gaat dat in de wereld.

Tot je plots met de neus op de nieuwe feiten gedrukt wordt waar je niets van afwist: Femke Van Den Driessche, die volgens welingelichte bron pas 19 jaar zou zijn, zou volgens het UCI levenslang geschorst moeten worden en beboet met een boete van 50.000,- EURO omwille van … mechanische doping. Dat is: doping, intraveneus toegediend aan een fiets via het frame in de vorm van een motortje. Het is een magistrale bereiding. In de doordeweekse fietsothekerszaak zal je het niet vinden. Bijwerkingen ? Nat worden in de materiaalpost. En op de bijsluiter stond ook nog: buiten het bereik van kinderen houden.

Maar sta mij toe even een zijsprongetje te maken. De laatse keer dat ik in mijn pen kroop was naar aanleiding van een verkrachtingszaak, hier bij ons om de hoek, bij wijze van spreken. Het gebeurde in een radiostudio. De ether zinderde. De dader, die de verkrachting zonder verdoezelen bekend had, kreeg door een Hof, samengesteld uit drie rechters, “opschorting van straf” en een boete van 4.500,- EURO als schadevergoeding voor het slachtoffer. Laat mij volstaan met te zeggen dat de uitspraak nogal wat deining veroorzaakte, waarmee ik niet wil beweren dat de rechters niet in eer en geweten tot hun vonnis zijn gekomen.

Maar ziet u dat bedrag, beste bestuursleden ? 4.500,- EUR, voor een aanslag op de fysieke integriteit van een tweede partij met mogelijks mentaal trauma voor ettelijke jaren als gevolg. Er werd, zo zeiden de rechters in hun vonnis, rekening gehouden met het schuldbesef bij de dader en men wilde niet de rest van zijn leven hypothekeren.

Indien we er van zouden uitgaan dat de beschuldiging dat Femke Van Den Driessche, tot gisteren een beloftevolle 19-jarige wielrenster, op de hoogte was van de sjoemelhardware in haar fiets en dus de intentie had fraude te plegen, dan heeft zij enkel schade en trauma aan zichzelf toebedeeld. En met dat schuldbesef komt het ook wel goed, durf ik te verwedden. Of wil u nog beweren dat zij, nog voor ze de gezegende leeftijd van 20 heeft bereikt, in haar eentje onherstelbare imagoschade aan het wielrennen heeft berokkend, die volgens u ter waarde van 50.000,- EUR kan gevaloriseerd worden ? Ik kan tegen een grapje, maar zoals een van onze voormalige premiers zei: “Teveel is trop en trop is teveel !”

Beste bestuursleden van de UCI, welke paddo’s waren dat waar u had aan gezeten toen u zich uitsprak voor een levenslange schorsing en een boete van zo een omvang ? Het moet in ieder geval straf spul geweest zijn. En toch vertrouw ik erop dat u mij ongetwijfeld zeer eloquent zal kunnen uitleggen waarin hem precies het verschil schuilt tussen een epo dopingzondaar die gemiddeld tussen de twee en de vier jaar schorsing aan zijn been krijgt en een kindvrouw die een versleuteld fietsje zou hebben gekregen, waarop ze in die fameuze wedstrijd dan nog niet heeft gereden, en daar levenslange schorsing voor dreigt te krijgen. Want, ziet u: ik snap het niet. Behalve dat het blijkbaar bazooka-seizoen is: Mario Draghi haalde er een uit de kast en slaagde er niet in meer dan een deuk in een pakje boter te slaan. En nu de UCI dus. Het doet mij denken aan een filmpje dat ik deze week op YouTube zag: een Brit gebruikte een draagbare raketlanceerder … om zijn sokken uit te trekken. Lachen, gieren, brullen ! … Alleen heb ik het gevoel dat zijn volgende filmpje wel eens over u zou kunnen gaan.

Wat u ook beslist over die schorsing op het einde van de week doet er eigenlijk al niet meer toe. Door die bazooka boven te halen om op een mug te schieten, heeft u zich eigenlijk behoorlijk irrelevant gemaakt: de fiets van Femke Van Den Driessche hangt aan de haak, van haar zal uw imagowinkeltje geen last meer hebben. Maar ik zou u toch ten zeerste aanraden die boete nog eens grondig te herbekijken en uzelf de vraag te stellen: welke zotte dingen heb ik gedaan in mijn jeugd ? Hoe matuur was ik op die leeftijd ? En: vanwaar komen al die nullen ???

Als het kan helpen, hier is nog een klein geheugensteuntje wat ik u gratis en voor niks aanreik. Doe eens een search op google en typ in: sjoemelsoftware. U komt ongetwijfeld op een pagina terecht waar u nog veel meer gaat leren over, jawel !, motortjes. Klik dan verder op de links beneden aan de pagina zoals daar zijn: “De kluit belazeren”; “Corruptie”; “Doden door te hoge uitstoot”. Het zal u verbazen wat voor fraais daar allemaal te lezen valt. En als laatste stap in uw onderzoek, doe dan eens een search op dit: “In het sjoemelsoftware schandaal: wie van de verantwoordelijken heeft er levenslang verbod gekregen nog een managementfunctie op te nemen en wie betaalt wat uit eigen zak ?”. Wil u een hint over het juiste antwoord, kijk dan naar mijn vette knipoog.

Met onbegrijpende groet.

P.S. Kan iemand dit bericht bevestigen: Femke Van Den Driessche, die zou pas 19 jaar oud zijn ?!

Screenshot_19

Een vonnis waarbij men het in Keulen hoort donderen, zo postte ik op mijn Fb-pagina … Ik probeer wel twee keer na te denken voor ik een mening op sociale media lanceer (en ja, ik weet het, iedereen heeft zijn buik al lang vol van al die kleine meninkjes die er niet toe doen, maar een kip houdt zijn ei ook niet op wanneer door een salmonellabesmetting eventjes niemand eieren eet, dus ik leg de mijne ook maar, in het luchtledige als het moet, kwestie van mentale constipatie te vermijden) maar van deze kreeg ik in de dagen die erop volgden toch een heel klein beetje spijt. Met alles wat er na dit editoriaal in De Morgen van Bart Eeckhout verscheen in de pers, had ik het gevoel dat ik mij bezondigd had aan datgene waarvan actieve deelnemers aan die sociale media zo vaak beschuldigd worden: steekvlampolitiek, de waan van de dag, … enfin, u weet waarover ik het heb. En toegegeven, die zonde is mij absoluut niet vreemd. Indien ik nog gelovig was, ik zou ze biechten.

Er werd namelijk nogal wat afgenuanceerd door eminente Vlamingen in de dagen die volgden op het vonnis en ik kroop steeds verder weg in mijn hoekje, stilletjes jammerend dat ik mij zo onwetend had laten gaan. Het licht zien, betekent soms dat terzelfdertijd het licht ook uitgaat. Game, set and match … voor de tegenstander aan de andere kant van het net. En het waren niet eens tegenstanders: het waren medestanders die alles voor de onwetende bevolking nog eens in het juiste perspectief plaatsten.

Met andere woorden: op een bepaald moment werd het persoonlijk.

Maar vandaag kan ik zeggen: ik heb het voorlopig zo wel een beetje gehad met al die ratio en die kadering, want waar al die stukken die ons de nuancering, foie-gras gewijs, door de strot naar binnen duwen een toch wel opmerkelijk gebrek aan vertonen is … nuance !

Een paar voorbeelden:

“De dwazen beseffen van iets pas de waarde als ze het hebben verloren.”

Henri Heimans, ere-Kamer-voorzitter van het Gentse hof van beroep, citeert Sophocles om mij in de categorie der dwazen onder te brengen.

“Verkrachters van de rechtsstaat”

Voor advocaat Walter Van Steenbrugge zit ik – o ironie !- in het kamp van de verkrachters. Het slachtoffer zal het graag horen.

“Deze lichtzinnige en al te emotionele fanfare, kon niet snel genoeg voorbijtrekken”

En voor advocaat Kris Wellekens van de Gentse Balie loop ik mee in De Fanfare van Emotie en Populistische Worst. En daar hield het niet op:

“The opposite for courage is not cowardice, it is conformity. Even a dead fish can go with the flow.”

Ik was ook nog een dode vis. En tenslotte:

“Hopelijk zal men zich wél vragen stellen bij de vaststelling dat diezelfde schijnwerpers plots blijken te doven bij het nieuws dat het slachtoffer heeft berust en derhalve het vonnis heeft aanvaard. Is het niet opvallend hoe weinig de schrijvende pers hierover bericht? Het contrast met de eerdere opruiende berichtgeving is bijzonder groot.”

Uit niets in zijn tekst mag blijken waarom het slachtoffer in het vonnis heeft “berust” en het heeft aanvaard. In zijn opinie is dat gewoon een feit, zwart op wit, dat genoeg moet zijn om elke contestant van het vonnis van antwoord te dienen en hen de mond te snoeren. Of er mogelijks financiële motieven aan de grond van deze beslissing zouden kunnen liggen (te weining geld om nog verder te procederen ?), of de vrouw misschien zo gedesillusioneerd is in deze uitspraak dat zij het liever niet nog een keer in beroep wenst mee te maken …. : van Kris Wellekens komt men het niet te weten. Heeft hij meer informatie ? Heeft hij zich die vraag überhaupt gesteld ? … Het nuanceverhaal rammelt een beetje.

Maar goed. Ook al zijn dit maar opmerkingen in de rand en vormen zij in geen enkel opzicht de kern van de argumentatie van elk van deze heren, toch valt het op dat mensen die anderen verwijten de subtiliteit van onze rechtsstaat niet te begrijpen, zelf niet bepaald subtiel met hun eigen taalgebruik omgaan. Om het in hun jargon te zeggen: waarvan akte.

Maar er is uiteraard veel meer.

Laat mij over één ding duidelijk zijn: in geen geval betwist ik de mérite van elk van deze stukken om terug enige sereniteit in het debat te brengen, om een aantal misverstanden op te helderen en om de verdediging van ons rechtssysteem op zich te nemen. Ik geef toe: zonder deze heren was er geen debat geweest, alleen maar gemor, geroep en over-reactie.

Daarom hoef ik echter nog niet alles te slikken wat zij ons allemaal voorschotelen in naam van het Grote Gelijk. Nogmaals Kris Wellekens bijvoorbeeld verwoordde het zo:

“Op basis van één enkel vonnis werd in de publieke opinie opnieuw moord en brand geschreeuwd over justitie, ieder met zijn eigen agenda op zak.” (cursivering door mij).

Maar wat is dat dan eigenlijk, die agenda ? Als men over iets zijn mening geeft, terecht of onterecht, dan heet zoiets dus meteen “een agenda hebben” ? Wat is er gebeurd met de pure, onbaatzuchtige, recht-vanuit-de-buikse, ongezouten, agendaloze opinie ? Wanneer werd die voor het laatst in de leefwereld van advocaten en ex-magistraten gespot ? En waarom zou ik dan moeten aannemen dat al deze heren, die hun dure tijd hebben gespendeerd om deze stukken te schrijven, dat dan wèl zonder hun eigen agenda zouden hebben gedaan ?

Wellekens had zich overigens in zijn vorige zin ook al behoorlijk in de voet geschoten.

“Een nochtans op het eerste zicht niet meteen uit de band springend vonnis, van drie Gentse strafrechters in een verkrachtingszaak, heeft voor heel wat beroering gezorgd, in eerste instantie bij boe-roepers, vrouwenbewegingen en sommige ‘deskundigen’.”

Ik herhaal het: subtiliteit was niet altijd op de afspraak tijdens het schrijven. Het zat waarschijnlijk vast in de file ter hoogte van pagina 36 van de eigen agenda. Boe-roepers, vrouwenbewegingen en ‘deskundigen’ (naar verluidt een sub-groep van de meer bekende soort deskundigen) worden vrolijk samen in de ramsj gedaan. Wat opvalt bij deze bewering is dat het verwijt van de heer Wellekens -indien dat al juist zou zijn- dat al die Malcontenten zich op basis van één vonnis als een grote Godzilla op deze rechters storten, gepareerd wordt door precies dezelfde tackle, namelijk dat men op basis van één enkele opinie meteen een boe-roeper of een deskundige tussen aanhalingstekens wordt. Als de pot de ketel verwijt, gaat de scheidsrechter rode kaarten te kort komen.

Maar laat ons nu naar de kern van het hele debat gaan: het vonnis. Dat is zeer interessante lectuur en dat vonden met mij blijkbaar velen. Waar bijna al de hier aangehaalde stukken uitdrukkelijk melding van maken, is dat de rechter enkel kan spreken in zijn vonnis en zich daarna niet meer tegen de publieke opinie kan verweren omdat hij/zij er verder niet meer mag over communiceren. Verschillende van de schrijvers lijken het dus -tussen de lijnen- laf te vinden dat de rechters zò op hun vonnissen worden aangevallen als in dit geval. “Zij hebben geen verweer, meneer !”. Dat zal ongetwijfeld kloppen en ik wil daar dan ook niet op afdingen: na het uitspreken van het vonnis, is een rechter en zijn vonnis overgeleverd aan de publieke opinie, in goede en in kwade dagen. Hij/zij heeft dus maar dat ene instrument in handen om te “spreken”. Daartegenover staat dat de publieke opinie, die hier aan de schandpaal wordt gepraat, ook enkel maar dat vonnis heeft om zijn mening te vormen omtrent een bepaald proces. Rechters weten dat ook, dus kunnen ze er maar beter voor zorgen dat hun vonnis zo accuraat mogelijk hun oordeel en motivatie weergeeft.

Wat staat daar nu te lezen ?

“De rechtbank benadrukt dat de beklaagde niet kan beschouwd worden als een persoon die voorafgaandelijk de intentie had om (naam van het slachtoffer, nvdr.) in de val te lokken en te verkrachten. Veeleer is er sprake van een persoon die op een bepaald ogenblik opgewonden raakte bij de opbouw van seksuele spanning, die de signalen van de burgerlijke partij verkeerd interpreteerde, die de controle verloor en die op een bepaald ogenblik seksuele handelingen stelde vanuit zijn eigen beeld van de realiteit waarbij hij geen aandacht meer had voor de duidelijke grenzen getrokken door de burgerlijke partij”

Dat is best een …euh … “spannend” stukje lectuur. “De signalen van de burgerlijk partij verkeerd interpreteren”: het zal je maar overkomen !

Stel u voor dat u als autobestuurder aan een spooroverweg komt. Iemand zegt “nee”: het signaal slaat op rood en een bel begint te rinkelen. Zelfs in de mist ziet u misschien niet het licht, maar hoort u zeker de bel. Wanneer iemand acht keer “nee” heeft gezegd, dan bent u, als bestuurder, bewust op het gaspedaal gaan staan en in volle vaart flagrant door de ondertussen ook neergelaten slagbomen gereden. Ik weet niet wat op zo een moment de “eigen realiteit” dan voorstelt, maar er schort nogal wat aan, aan die realiteit, me dunkt. Toch blijkt het dus mogelijk om vanuit die realiteit sexueel totaal ontoelaatbare handelingen te stellen die (met dank aan Meester Wellekens voor deze opheldering) wel op het strafblad terechtkomen maar nièt op het “Bewijs van goed gedrag en zeden”. Ik daag elke advocaat uit om dit eens aan een zaal vol gewone mensen te komen uitleggen. Veel succes !

Ik heb zo onderhand een serieus probleem met het gebruik van dat woordje “signalen” in ons Belgenland. Men mag met duizenden gaan betogen op straat, in België blijft zoiets altijd “een signaal”: het wordt nooit “een opdracht”. Zoals hier ook een signaal nooit “een verbod” is geworden. Men heeft enkel “geen aandacht gehad voor de duidelijke grenzen die werden getrokken”: zoiets is duidelijk meer verschonende taal (want wie wordt al eens niet afgeleid, nietwaar ? Het is des mensen, en zeker als man, want dan moet je om de zeven seconden aan sex denken ! Logisch dat je dan even een signaaltje mist) dan zeggen dat iemand “in volle bewustzijn het verbod heeft genegeerd en de andere persoon aan zijn wil heeft onderworpen”. En daar, heren juristen, heeft de publieke opinie een hekel aan, misschien meer nog dan aan de ondraaglijke lichtheid van de straf. Want hoe ieder van deze schrijvers het ook draait of keert, deze straf mist elke … jawel, signaalfunctie: een financiële vergoeding van de orde van grootte zoals hier uitgesproken mist die functie volledig, omdat men nooit weet hoe vermogend de beschuldigde echt is en hoe diep zoiets snijdt in zijn budget. Met andere woorden, de financiële vergoeding is nooit een egalitaire maatregel: de rijke verkrachter loopt met zoiets fluitend de gerechtszaal uit, terwijl de kleine gemene bospoeper een lening moet aangaan. En hoe men ook “opschorting van straf” probeert uit te leggen als zijnde een echte straf, wederom: de mayonaise heeft al beter gepakt. Ik vermoed dat weinigen van de boe-roepers absoluut zouden aandringen op een effectieve gevangenisstraf, maar een werkstraf, een verplichte begeleiding … whatever mogelijk was binnen het justitieel bestel voor dit soort vergrijpen had een minimum moeten zijn.

En, oh ja, het was “geen brutale verkrachting”. Heeft een Freudiaanse hersenscan van het slachtoffer dat duidelijk gemaakt, misschien ? Is het allemaal zo klaar als een klontje wat er zich daar onder die hersenpan van de vrouw heeft afgespeeld en misschien nog afspeelt ? De lichtvoetigheid waarmee hier over de term “brutaal” gehuppeld wordt, die reductie van het woord tot een puur fysiek fenomeen, is een beangstigende “nuance” die ook door alle hier reeds aangehaalde auteurs vlot met de mantel der liefde wordt bedekt.

Kort gezegd, dat vonnis -die enige manier waarop een rechter met de buitenwereld over een zaak kan en mag communiceren- stottert een beetje.

En terwijl we het toch hebben over signalen: er werden ook vragen gesteld naar hoe het toch mogelijk was dat er zo veel commotie ontstond rond één, niet eens zo buitengewone, zaak. Men vond dat vreemd. Misschien moeten de heren het vonnis zelf nog maar eens herlezen en dan vooral het stuk waar het gaat over die verkeerd geïnterpreteerde signalen. Want ja, uiteraard was het een kakafonie en een lawaai van jewelste, zoals men in elke volksvergadering wel eens meemaakt, of die nu “live” of digitaal wordt gehouden (die twee realiteiten zijn al lang niet meer duidelijk te onderscheiden en hebben ondertussen bijna evenveel overlappingen als ze autonome ruimte hebben). Dus de vraag waarom dat dan wel gebeurde, is absoluut relevant, maar niemand die deze “hetze”, als zij het dan toch zo willen noemen, interpreteert als een signaal, laat staan een “opdracht” waaraan zij en, mèt hun, allen die bij Justitie betrokken zijn, heel hard moeten werken. Men focust zich op de zaak, en de zaak alleen, zoals ze daar als een grote, ronde IKEA-lamp in het midden van een steriele witte kamer aan het plafond hangt, klaar om van alle kanten te worden bekeken, beoordeeld en veroordeeld: schuld, strafmaat, schadevergoeding; de rechtsstaat; de rechters; het vonnis. … En dan spreken zij allemaal over de nood aan nuance, terwijl buiten die stille, witte kamer een menigte staat te roepen. Uiteraard heeft die menigte het over veel meer dan enkel maar deze, in het Groter Geheel Der Dingen, pietluttige zaak. Die menigte zet een baken in de grond voor de persoonlijke integriteit, “the last frontier” die men niet wil en zal laten bestormen, terwijl men om zich heen allerlei andere soorten justitiële muren scheuren ziet vertonen. Zoals een rechter enkel kan spreken in zijn vonnis, kan de publieke opinie enkel maar gekend worden als ze zich laat horen En wat volgens mij de meerderheid in die menigte roept, is nièt dat ze die rechters willen lynchen of zelfs maar dat het proces zou worden overgedaan, maar dat ze bang zijn voor de consequenties van een dergelijke uitspraak zoals hier in Gent is gedaan. Is het in deze niet zeer opvallend dat niemand van de schrijvers die ik hier heb vermeld ook maar melding maakt van wat prominent in het “provocerende” artikel van Bart Eeckhout in De Morgen te lezen was:

Twee weken geleden nog moest minister van Buitenlandse Zaken Didier Reynders in de VN-Mensenrechtenraad gegeneerd gaan uitleggen waarom in de rechtsstaat België de politie elke dag acht verkrachtingen registreert, waarom er in de rechtsstaat België officieel geschat wordt dat die aangiftes maar een tiende zijn van het werkelijke aantal seksuele aanrandingen en waarom er in de rechtsstaat België toch amper iemand veroordeeld wordt voor seksueel geweld.

De IKEA-lamp aan het plafond in die steriele witte kamer is interessanter, neem ik aan, maar wanneer niemand dat signaal oppikt, of het op zijn minst al als zodanig onderkent en benoemt, gaat dat roepen blijven aanhouden. Ongenuanceerd, ja.

En tenslotte moet dit mij nog van het hart. Het woord “emotie” spoelde over de kaaimuren van deze artikels zoals het springtij in Antwerpen. “Emocratie” werd ons verweten. Het was een fanfare van emotie. En dat emoties geen plaats hadden in de beoordeling van zo een zaak. Of zoals Leo Neels het verwoordde:

“Kortom, recht is een hardnekkig fenomeen in de samenleving: het brengt rationaliteit en proces in emotionele zaken.”

Klopt, de emoties deden hun duit in het debatzakje. Zijn we daar met zijn allen slechter van geworden ? Neen, het vonnis -en last time I checked- ook de rechtsstaat staat nog altijd overeind. Maar de volgende keer dat een advocaat voor de camera’s van de VRT zijn cliënt met veel bombarie staat te verdedigen in een zaak waarin een procedurefout werd gepleegd en met rood aangelopen gezicht in de micro weet te vertellen dat “de rechten van zijn cliënt werden geschonden en dus vrijspraak de enige mogelijkheid is”, dan zal ik ook denken: “Je hebt gelijk, Meester. Met de Wet sol je niet en er nonchalant mee omgaan is het beste recept voor chaos. Maar bespaar me asjeblief jòuw emo-gelul over geschonden rechten: er ontbrak één handtekening op één velletje papier in een dossier van enkele duizenden pagina’s. Dàt is de waarheid en al de rest is theater van zeer bedenkelijk allooi. Het soort theater dat boe-roepers aantrekt.”

Gaazton

Posted: February 7, 2016 in Uncategorized

– Dag jongeman !

De vijftig zit er bij mij ook weldra aan te komen. Een andere verklaring voor de grijns op mijn gezicht is er niet.

Telkens ik hem zie, doet hij mij een beetje aan Youp Van’t Hek denken. Het antwoord op het “waarom ?” ben ik nog steeds aan mezelf verschuldigd. Zoals hij daar staat in zijn onberispelijk witte stofjas aan de afdeling broodwaren, is de vergelijking met Youp -toegegeven- een tamelijk abstract en minimaal onderbouwd gedachtenexperiment. En toch … Misschien is het dat brilletje. Het moèt wel, want in de verste verten verdenk ik hem er niet van Youp te heten. Youps dragen bretellen; Youps dragen gèèn witte stofjassen. Zoveel is duidelijk in mijn wereldbeeld. Neen, bij het zien van deze meneer wringt zich steeds de naam Gaston naar het hoogste schavotje op mijn kandidatenlijstje. Niet de Gaston zoals we die kennen van Gaston Berghmans of Gaston Roelandts, met die zachte Belgische G vooraan die dan die zware ton op het eind achter zich aansleept, maar eerder die welke begint met zo een Franse G -laat ze ons de Gainsbourg G noemen- en dan openbloeit tot de “Gaaaaz” van Brel, met zo een lange a (zoals in “aaaah, mais c’est formidaaaable çaaaa !”), gevolgd door een lichte ton met op het eind een bijna onhoorbare, nasale n … Gaazton. Zoiets. Een naam waar een Britse butler een moord voor zou begaan om hem te hebben.

Wanneer ik mijn huis uitwandel, gewapend met mijn Colombiaanse mochilla nonchalant over mijn schouder, twee keer links aanhoud, de steenweg oversteek en daarna de parking om tenslotte door de openschuivende winkeldeur recht op de afdeling broodwaren af te stevenen, dan kom ik hem daar met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tegen. Gaazton. Of hoe hij ook mag heten. Behalve Youp. En altijd in die witte stofjas. Die droeg hij al de eerste keer toen ik hem daar ontmoette, tijdens de openingsdagen van de nieuwe winkel. Hij stapte op mij toe met zijn immer kamerbrede glimlach en in elke hand een mandje met een paar sneetjes brood: rechts op basis van gist, links op basis van desem. En of ik soms even wilde proeven. Dat wilde ik wel. … Het proeven duurde een kwartier … Een kwartier gevuld met een uitleg over de artisanale manier waarop het brood werd gemaakt. Over het graan dat in het zuiden van Frankrijk nog op steen werd gemalen. Aan het eind van het betoog, tijdens hetwelke ik één sneetje brood met gist en één sneetje met het wat zuurdere desem achter de kiezen had gestopt, en dan nog eentje met gist om het af te leren, had ik een lichtblauw vermoeden dat het artisanale meel nog met de bakfiets vanuit Frankrijk werd aangevoerd ook. Ondertussen hadden drie mensen, die mijn absolute onvermogen om te ontsnappen uit dit verbale Alcatraz hadden bemerkt, oogcontact met mij gezocht en dan ingeschat dat het wel ok was om mij voor te springen en hun bestelling eerst te plaatsen. Ik stond erbij, keek ernaar en vond het goed. Artisanale ambacht verdient de aandacht die de traagheid hem soms ontzegt.

-Dag jongeman, zei hij dus.

En wanneer hij mijn grijns bemerkt, begint hij over de reacties op de gezichten van al die mensen waarbij hij deze “truc” al heeft uitgeprobeerd. Hij lijkt mij een onverbeterlijke optimist, Gaazton. Niet zo eentje die dat optimisme net de tijd van het obligate verkoopspraatje kan laten overleven, maar zo iemand die de eeuwigheid als een spinnende, langharige Angora kat aan zijn voeten heeft liggen en het pad er naar toe met artisanaal brood plaveit, zodat iedereen er zijn weg heen vindt. Iedereen. Want wat voor een Belg is het die geen brood eet, zeg nu zelf.

-Wat mag het voor u zijn ?

Ik vertel hem “dat hij mij vandaag een Flandrien mag geven”. Dat klinkt als een uitgekiende keuze van iemand die het gamma door en door kent, maar is het -ik beken- in werkelijkheid niet. Ook de vorige èn de volgende keer dat ik aan zijn afdeling broodwaren een brood heb besteld of zal bestellen, was het of zal het een Flandrien zijn. Dat heeft namelijk op zicht de zachtste korst en ik houd niet zo van harde korsten rond mijn boterham. Ik ben een softie, als het op brood aankomt. Ik bespaar Gaazton echter deze intieme gedachtenkronkel en hij neemt een Flandrien van het rek. En of ik dat graag gesneden had gehad. … Telkens hij die vraag stelt voel ik een dilemma opkomen. Hij lijkt mij namelijk het type dat getroffen wordt door een pijnscheut ter hoogte van zijn hartstreek wanneer iemand vraagt om het brood te snijden, want ook in zijn afdeling broodwaren wordt het brood, heden ten dage, machinaal gesneden. Bewijzen heb ik niet, maar ik vermoed dat in het diepst van zijn gedachten deze Gaazton, deze bakker met een brilletje, nog steeds de herinnering aan het oude broodmes koestert. Dat broodmes waarmee voor onze ouders hun boterham nog door hun moeder werd afgesneden. Dat broodmes waarmee het gezin Van Paemel overleefde, waar De Witte groot mee werd, dat zijn laatste gloriemoment in “De Paradijsvogels” heeft beleefd … dàt broodmes, dat zit er volgens mij bij hem nog in. Dus wanneer ik antwoord dat ik het, ja, graag gesneden had, voel ik mij een verrader. Alsof ik hèm zonet met een bot broodmes heb neergestoken.

Terwijl hij het brood in een zak verpakt en mij dan over de toog aanreikt, vertelt hij mij nog over zijn vader, die duivenmelker was, en razend kwaad kon zijn op Armand Pien met zijn belachelijke weerberichten. Ik had het gevoel dat er slachtoffers waren gevallen. Onder de duiven, bedoel ik. Waarna ik innerlijk fluitend de winkel uitloop. De Flandrien heeft geweldig gesmaakt. Met dank aan Gaazton.