Leest u ook nog wel eens de media ? Drukt u ook nog wel eens op die afstandsbediening van de TV op een moment wanneer de Rode Duivels nièt spelen ?

Dan bent u er ongetwijfeld de laatste tijd ook vaak mee geconfronteerd: het Grote Verhaal van de Normen en Waarden. Steevast voorafgegaan door “westerse” of, voor wie het nog een tikkeltje exclusiever wil, “Europese”, maar altijd zijn het “onze” normen en waarden.

Het roept bij mij telkens de vraag op of de rest van de wereld zijn normen soms is verloren bij het stofzuigen en dan maar besloten heeft een waarde(n)loos bestaan te gaan leiden, aangezien die eeuwige nadruk op “ònze normen en waarden” lijkt te suggereren dat er daarbuiten enkel maar Het Grote Niets is, een grijze, dikke soep van dichte mist die elke andere norm en waarde vervaagt.

Wie zichzelf reeds een redelijke pief waant maar zijn figuur media-gewijs toch nog een upgrade wil geven, die plakt er heden ten dage dan ook maar meteen een discours over “de Verlichting” aan vast. Wanneer men er naar luistert, is het alsof de aboriginele Vlaming, behalve zijn spreekwoordelijke  baksteen, ook die Verlichting via de moederborst heeft meegekregen. Al die nieuwe Vlaamse filosofen zouden misschien nog een oplossing kunnen bieden voor Joke Schauvliege’s probleem, want ze lijken met bosjes uit de lucht te vallen. “Elk nadeel hep se voordeel”, weet u wel ? En toch stemt het mij allemaal een beetje argwanend, zeker wanneer ik dan Vlaanderens huis-, tuin- en praatprogramma-filosoof Etienne Vermeersch, een man wiens stellingen niet altijd mijn eenduidige goedkeuring wegdragen, maar die ik wel als een gerespecteerd denker beschouw, in De Morgen van 21 juni ll. hoor beweren: “JDC (nvdr: Joël De Ceulaer, journalist bij De Morgen) zet zijn betoog verder met een verwijzing naar mij, als ‘belichaming’ van de verlichting. Hij doet mij te veel eer aan. Hoewel ik mij als een mens van de verlichting beschouw, heb ik daarover onvoldoende gewerkt om mij echt deskundig te noemen.” Wanneer zo iemand dat zegt, geeft dat toch wel een beetje te denken over de deskundigheid waarmee sommige anderen de krantenkolommen vullen en ook wel over de intentie erachter: de Verlichting als kampvuur op het strand van het eigen grote gelijk.

Wild Afrika heeft “the big five”, maar wanneer men het vandaag in Europa heeft over de Verlichting, beperkt men het meestal tot deze Grote Drie: de enige scheidingen die als een succes worden gezien, namelijk die tussen Kerk en Staat en die tussen de verschillende machten; democratie met zijn broertje, de vrijheid van meningsuiting; en tenslotte de gelijkheid van iedereen, met een speciale focus op de gelijkheid tussen man en vrouw. Na mijn inleiding zal het u misschien verbazen, maar er is geen haar op mijn hoofd dat er aan denkt op eender welk van deze drie kenmerken ook maar iets af te dingen. Het zijn stuk voor stuk realisaties, het ene al wat afgewerkter dan het andere, waar ik volledig achter sta en ja, zelfs trots ben om tot een gemeenschap van mensen te behoren die ze als hun leidraad heeft genomen. Waarom dan dit stuk ? Voornamelijk om twee redenen: eerst en vooral omdat ik vind dat, in een wereld die wel geplaagd lijkt door een continentendrift  van allerhande soorten visies, een beetje meer nederigheid ons wel zou sieren. Geen mens die vandaag nog met de titel “missionaris” op zijn naamkaartje zou willen rondlopen, maar dikwijls gedragen we ons wel zo naar de buitenwereld. En ten tweede, omdat het mij stoort dat de idealen van de Verlichting voor ons precies een soort finaliteit zijn geworden: wij hebben onze schaapjes mooi op het droge, “onze normen en waarden” zijn het nec plus ultra van wat er binnen en ver buiten dit universum te vinden is, wij zijn helemaal Kant en klaar. Maar is dat wel zo ?

Laat me beginnen met die nederigheid.

Ik heb het vaak genoeg gehoord: “Braaf zijn is geen gave”, dus soms moet men wel eens zijn stoute schoenen aantrekken en opkomen voor waar men in gelooft. Daar is niets mis mee. Maar als men die stoute schoenen aantrekt, moet men wel zorgen dat men er ook recht in staat. En daar schort het soms een beetje. Wanneer de realiteit vaak niet de inhoud weerspiegelt van dat grote Idee waar men zich als aanhanger van profileert, wordt het moeilijk. Het begon eigenlijk al van meet af aan, zoals David Van Reybroeck ons in zijn boekje “Tegen Verkiezingen” aantoont. Of het nu in de Verenigde Staten was of in Frankrijk “de tendens (was) duidelijk: de republiek die de revolutionaire leiders in gedachten hadden en zouden vormgeven, moest eerder aristocratisch worden dan democratisch” (p. 81). En zo geschiedde: reeds van in de prille beginjaren van de revolutie die de Verlichting als sponsor binnenhaalde, werd de stem van het volk in de mate van het mogelijke gesmoord. Zo raakte initieel de Verlichting voor brede lagen van de bevolking niet voorbij de fase van de verzuchting. En ook al is er sedertdien een enorme evolutie geweest, het heeft de leiders van dit continent, ondanks onze verlichte geest en de robuustheid van “onze normen en waarden”, er in de voorbije eeuwen niet van weerhouden bij herhaling niet alleen onszelf, maar ook en vooral de rest van de wereld in brand te zetten, hetzij via kolonisatie, hetzij via wereldoorlogen maar in beide gevallen met even catastrofale gevolgen. De exportversie van onze Verlichting deed in vele gebieden het licht uit. Wanneer dus die krantenfilosofen zichzelf weer eens tot een kind van de Verlichting bekennen, heb ik het gevoel dat zij dat liefst beperken tot pakweg iets meer dan de laatste halve eeuw en dat veel van wat daarvoor kwam, met graagte met de mantel der liefde wordt bedekt. Met andere woorden, onze Verlichting is nog een couveusekindje in het aanschijn van de geschiedenis en de mantel der liefde zit vergeven van de motten.

Oorlogen mogen dan al de meest voor de hand liggende smet zijn op ons “normen en waarden”-blazoen, maar ook in de wondere wereld van de economie zitten er nogal wat dissonanten op ons leitmotif. Heeft u iemand van onze politici het al over “onze normen en waarden” horen hebben in economische context ? Indien ja, zal ik het graag van u vernemen. In die zeer specifieke context, lijkt het mij dat dat normen- en waardenverhaal heel dikwijls wordt vervangen door “onze belangen” en al wat tegen die belangen indruist moet best niet op “onze normen en waarden” rekenen om er heelhuids onderuit te komen. Ik zal in deze de zadenpolicy van Monsanto niet met name noemen. Ik zal ook niet verwijzen naar de ISDS (Investor-State Dispute Settlement”)-clausule die ter tafel ligt in de TTIP onderhandelingen. En ik zal tenslotte geen melding maken van het feit dat Panama- en andere papers, belastingontduiking, afkoopwetten en off-shore constructies even zovele oplawaaien zijn aan de ons zo geliefde “egalité” en de “fraternité”. De “Liberté” blijkt toch al te vaak iets voor wie het zich kan permitteren.

En zelfs op religieus vlak, vandaag hèt strijdtoneel bij uitstek waar wij onze Europese superioriteit, omwille van die scheiding tussen Kerk en Staat, graag benadrukken, zou ik willen pleiten voor wat meer nederigheid. Wij, die ons nu trots beroepen op de christelijke traditie, slepen immers zelf een ontstellende geschiedenis van godsdienstoorlogen, kruistochten en andere religieuze waanzin achter ons aan. Het zijn even zovele tatoeages op onze westerse huid die er voor de eeuwigheid niet meer uitgaan. Ook dichter bij ons dagelijks leven, ons superdiverse nù, pleit ik voor wat meer nederigheid, gebaseerd op het feit dat het schier onmogelijk is alle fenomenen die zich op ons netvlies afspelen ten volle te begrijpen. Terwijl ik wat ideetjes zat te verzamelen voor deze tekst, moest ik plots weer denken aan de praktijk van het voetenbinden in China. Daar werden van oudsher de voeten van de meisjes reeds op zeer jonge leeftijd met windsels zo hard ingesnoerd dat de botten braken en de groei werd geremd, zodat zij, in het beste geval, mooie “lotusvoetjes” (ideaal niet meer dan tien centimeter groot) zouden krijgen. Dergelijke voetjes zouden enerzijds een verbazend erotiserend effect hebben gehad op de mannelijke helft van de chinese bevolking, maar terzelfdertijd, volgens de algemene consensus, ook een middel zijn geweest om de vrouw te onderdrukken en haar aan de haard-met-bijhorend-crocheerwerk te houden. Wat bij dit narratief zelden of nooit wordt vermeld, maar door zowel Wang Ping in “Aching For Beauty” als door Dorothy Ko in “Cinderella’s Sisters” overtuigend wordt aangetoond is dat deze praktijk, ondanks verschillende uitroei-campagnes van een aantal “verlichte” keizers, tot diep in de eerste helft van vorige eeuw is blijven bestaan … omdat de vrouwen er aan vasthielden. Na elke campagne stak het weer de kop op, en wel omdat mooie lotusvoetjes dè sleutel waren naar een hogere sociale positie. Een moeder die uit medelijden met haar kind haar voetjes niet hard genoeg aanbond, moest het ontgelden vanwege haar dorpsgenoten omdat zij de toekomst van haar dochter hypothekeerde. Het leven zoals het is … Moet dit het bestaan van het gebruik dan maar rechtvaardigen ? Allerminst. Het streven moet zijn om die sociale mobiliteit zònder jaren van afgrijselijke pijn tot stand te brengen. Maar het geeft aan dat er dynamieken bestaan die verder gaan dan wat er aan de oppervlakte zichtbaar is en zich buiten ons referentiekader bevinden. Dus als we dat eens in het achterhoofd zouden willen houden telkens we in die “welles-nietes” hoofddoeken- en/of boerkini-discussie belanden, dan denk ik dat de kansen op een zinnige dialoog toenemen.

De verworvenheden van het model van de Verlichting moeten wij, die er mee zijn opgegroeid, met alle mogelijke middelen omarmen, precies omdat ze zo goed en waardevol zijn. Maar we moeten het model wel constant in vraag blijven stellen, want uiteindelijk is het niet meer dan dat: een model. Zoals onze Moeder Aarde een planeet is. Wij kunnen ons (nog) niet voorstellen op een andere planeet te leven, maar ze zijn er wel. Met hopen. En zo zijn er ook een massa andere samenlevingsmodellen, die allemaal vanuit hun eigen specifieke context zijn gegroeid: patriarchale, matriarchale, animistische, atheïstische, Amish, chassidische, zigeuner, hippie, kibboets … en uiteraard islamitische modellen. En zo kom ik stilaan bij mijn tweede punt. Wij gedragen ons soms als zouden we een afgewerkt product zijn, een IKEA-bouwpakket waar door de juiste vijsjes op de juiste plaatsen in de juiste planken te draaien een pracht van een kast uit is ontstaan. Een kast waar je terecht trots op bent en die to-taal past in het interieur van je huis. Maar, zoals een chinese sofist ooit beweerde dat een wit paard geen paard was, zo is een lege kast misschien ook wel geen kast. Het is de inhoud die die kast waardevol maakt.

Ik ben blij met de succesvolle opbouw van die kast, maar het stoort mij soms dat wij die prestatie lijken te beschouwen als “doel bereikt”. Of zoals een andere “verlichte” geest het een aantal jaren geleden formuleerde: mission accomplished. Iemand vroeg zich onlangs af waarom de integratie, de “multi-kulti”, ogenschijnlijk heeft gefaald. Een terechte vraag, want als ons model zo superieur zou zijn, hoe komt het dan dat zovelen er niet lijken voor te vallen ? Dus ik antwoordde dat, naar goede aloude Belgische wafelijzergewoonte, wij naast de vraag waarom de integratie heeft gefaald , onszelf ook moeten afvragen waarin ons model tekort schiet. Waarom slaat het schijnbaar niet aan bij vele nieuwkomers ? Het wordt tijd dat we de deuren opengooien en gaan kijken naar de inhoud van onze kast.

Zo komt het mij telkens als zeer vreemd voor dat vele van onze leiders, wanneer zij weer eens de superioriteit van ons model bewieroken, vaak verwijzen naar “de joods-christelijke traditie”. Wij propageren dus met alle mogelijke middelen de seculiere staat, maar grijpen terug naar religie als verklaring voor waar het succes vandaan komt. Het lijkt mij het soort spagaat waarvan wij er net iets te veel kennen om gezond te zijn: de gelijkheid tussen man en vrouw van de daken schreeuwen, maar Saudi-Arabië bondgenoot noemen; ons (terecht) op de borst slaan dat wij voor de laaste zestig en wat jaar in Europa oorlogsvrij zijn gebleven, maar wel massaal wapens exporteren naar andere delen van de wereld, wapens die nu in bepaalde gevallen rechtstreeks tegen ons worden gericht; “100% recycleerbaar” zetten op onze computers en ze dan verschepen naar China of Afrika om daar in verschrikkelijke omstandigheden te worden “gerecycleerd”; schone lucht kopen op de beurs en ondertussen zelf blijven vervuilen; de arbeidsomstandigheden in eigen land bewaken, maar geen probleem hebben om de productie van de eigen high-tech producten en kleding in Aziatische sweatshops te laten gebeuren; in onze buitenlandse betrekkingen overal de lof der democratie bezingen, maar achter de schermen dictators steunen. De lijst kan nog wel eventjes doorgaan, maar van alle bovengenoemde activiteiten zijn er reële slachtoffers, die op een dag op een gammel bootje onze stranden bereiken.

Onze Verlichting is ons fundament en het staat als een rots. Maar we hebben de keuze: we kunnen er een Victor Horta of de eerste de beste prefab bovenbouw bovenop plaatsen. Dat verandert niets aan het fundament, maar wel aan wat de wereld te zien krijgt. En uiteindelijk is het dat wat telt.

(Dit is een antwoord op de opiniebijdrage van Luckas Vander Taelen “Buffalo’s: Volkse folklore zonder racisme” op http://www.deredactie.be dd. 18/03/2016)

Beste Luckas,

William Frederick “Buffalo Bill” Cody stierf op 10 januari 1917.

De laatste keer dat hij met zijn Wild West show doorheen Europa toerde was van 1902 tot 1906. Wanneer jij schrijft: “Dat dateert van toen de Wild West Show in 1924 een groot succes kende en voetbalsupporters daardoor beïnvloed hun ploeg spontaan met “Buffalo, Buffalo” begonnen aan te moedigen.”, lag Buffalo Bill dus al zeven jaar in zijn graf en was het al 18 jaar geleden dat die Wild West Show nog op het Oude Continent was geweest. Het lijkt mij dat, wanneer men een opiniestuk wil schrijven, het van redelijk belang is dat men allereerst de feiten juist op een rijtje krijgt. In dit geval, quod non. Wat mij doet vermoeden dat je, net als ik, ook niet ideaal geplaatst bent om te beoordelen om welke reden precies die indiaan op het logo van A.A. Gent is verschenen. Waarom staat daar bijvoorbeeld niet de kop van Buffalo Bill zelf op ? Zou die misschien portretrecht hebben gevraagd en ging men dus maar voor gratis ? Weet jij het ?

Ik zou me niet aan deze repliek hebben gewaagd, indien het daarbij was gebleven, want in wezen ben ik het wel met jouw uitgangspunt eens: in de oorlog moet men zijn veldslagen weten te kiezen en de veldslag die deze mevrouw, Suzan Sown Harjo, hier mogelijks wil leveren, lijkt mij inderdaad niet de meest nuttige, precies door het beperkt aantal indianen in deze contreien.

Maar toen stootte ik op dat ene zinnetje, dat zinnetje dat heel je tekst ineens doorverwees naar waar het thuishoort: in de versnipperaar van ons geheugen.

“Le ridicule ne tue pas”, schreef je. En je voegde er, cheek in tongue, nog aan toe: “Anders was ze waarschijnlijk meteen na dit interview doodgevallen.” … Beste Luckas, wie in godsnaam ben jij om iemand anders te gaan vertellen waarover hij of zij wel of niet verontwaardigd mag zijn en ze daarom te gaan ridiculiseren ? En waarom is het zo ver gegrepen te denken dat het mogelijk zou kunnen zijn dat een jongen aan de overkant van de Grote Plas intens verdriet voelt bij het zien van deze vlag, wanneer het al reeds zo vaak bewezen is dat hele massa’s mensen aan de andere kant van de wereld tot razernij kunnen worden gedreven door een klein cartoontje in een obscure krant van bij ons ?

Je hebt het over volkse folklore zonder enig racistisch element. Ik wil best meegaan in die redenering. Maar laat ons eens een andere situatie bedenken die ook had gekund. Stel bijvoorbeeld dat er in die tijd een net zo exotische passage was geweest van een groep boeddhistische monniken die naast die terreinen van A.A. Gent hun kamp hadden opgeslagen en tijdens hun meditatie de “ohm-mani-padme-uhm” incantatie ten gehore hadden gebracht. Dan hadden de A.A. Gent supporters nu misschien die mantra op de tribunes zitten zingen, omdat ze daardoor zo gefascineerd waren. Maar misschien hadden die monniken ook wel een afbeelding van zo een Boeddha met lange oorlellen bijgehad, met daarbij een swastika en was toen misschien dàt als symbool op de clubvlag verschenen. Alles leek toen blijkbaar mogelijk als clubsymbool, nietwaar, never mind dat er in Vlaanderen in geen velden of wegen een indiaan of een boedddhist te bespeuren viel ? Daar zou toen, nog bijna twee decennia voor WOII geen schijn van racisme of fascisme aan de grondslag van hebben gelegen, dus het had perfect gekund. Maar geloof jij zelf dat, indien die boeddha met die swastika toen, in het begin van de 20ste eeuw, het clubsymbool was geworden, die swastika nu nog altijd op die vlag zou staan ? Ik denk het niet, omdat het ons te zeer doet terugdenken aan het leed dat ons onder het teken van de (omgekeerde) swastika is aangedaan. Ik haal het voorbeeld aan, omdat het nog maar enkele jaren geleden is dat er in Gent, bij de renovatie van het vroegere Sarmacomplex, een hakenkruis in baksteen in de top van een gevel werd ontdekt. Het gebouw dateerde van 1959. De burgemeester vroeg de aannemer het symbool te verwijderen.

Maar aan een indiaanse, erfgenaam van het leed van één van de grootste genocides uit de recente wereldgeschiedenis, daaraan ontzeg jij het recht op de pijn om het verleden van haar volk. We hebben ze al eens allemaal (of ei zo na) gedood, ze moeten nu maar dood blijven en zwijgen: is dat de manier hoe we hier mee omgaan ?

Ik geef toe, die indiaan op die vlag ziet er waardig uit, maar hoe zou jij je voelen, Luckas, als de kop van jouw overgrootvader staat te pronken op de vlag van een bevolkingsgroep die precies aan die overgrootvader zijn kop heeft gekost, met andere woorden als de aartsvijand, de blanke, jouw kop als een scalp op een vlag keer op keer in jouw gezicht wrijft ? Waarom maakt die vrouw zich druk ? Omdat symbolen er toe doen, Luckas. Altijd. Voor iemand.

En die indiaan op die vlag mag dan wel kracht en strijd uitstralen, maar je weet toch hoe het er aan toe ging in die “Wild West Show” van Buffalo Bill ? Inderdaad, zijn indiaanse “acteurs” werden naar het schijnt met het nodige respect behandeld, maar tijdens de show waren het toch maar zij die een postkoets en een trein overvielen. Ambiance ! Maar het hedendaagse equivalent daarvan zijn gemaskerde bandieten die een geldtransport overvallen. Sympathiek is anders. Dus ik hou mijn oordeel over waarom precies die indiaan op die clubvlag terecht kwam in beraad tot ik er het fijne van weet. Folklore ? Waarschijnlijk. Maar folklore hoeft niet per se onschuldig te zijn. Kijk maar naar ons oordeel over de jaarlijkse walvissenslachting op de Far Öer eilanden: folklore voor de plaatselijke bevolking, massamoord voor een groeiend deel van de rest van de wereld.

Ik was blij dat je, in deze discussie, het (voor de hand liggende) voorbeeld van Zwarte Piet aanhaalde, want het is typisch in deze context. Te vuur en te zwaard heeft het Westen ik weet niet hoeveel tradities van andere volkeren naar de Eeuwige Jachtvelden geholpen, maar ho maar  wanneer er iemand van die tegenpartij onze tradities in vraag durft te stellen of riskeert er een onvertogen woord over te zeggen. Het is maar folklore, meneer. We zijn toch zo lief, mevrouw. Ik kan het iedereen aanraden om eens de commentaren op een internetforum te gaan lezen waar dat onderwerp ter sprake komt en mij dan nog zonder blikken of blozen te komen vertellen dat er geen racisme met die “folklore” gepaard gaat. Wat wij nog steeds niet schijnen te begrijpen is dat wij, het Westen, in de voorbije eeuwen de hele wereld hebben opengegooid -geglobaliseerd zoals dat heet- op zoek naar markten, werkkrachten en grondstoffen. En macht natuurlijk. In dat proces, zijn wij steeds gewoon geweest zelf het hoge woord te voeren. Maar in zo een wereld staat niets of niemand stil natuurlijk: ook de rest wordt mondiger en gaat aan het denken en komt dan, vroeg of laat, – o ramp ! – aangehold met een aantal vervelende waarheden en vragen. Wat jouw stuk bewijst, is dat wij op dat soort mensen en vragen totaal niet voorbereid zijn en geen antwoord hebben. We hoeven inderdaad, zoals je impliceert, onszelf niet voor alles en nog wat uit ons verleden in het beklaagdenbankje te gaan stellen, maar wanneer er iemand opdaagt die rekenschap vraagt over een feit, dan hoop ik dat we in het vervolg beter kunnen doen dan enkel dit “Le ridicule ne tue pas.”

En tenslotte: laat ons niet ook nog de fout maken de gedrevenheid en overtuiging van deze mevrouw Harjo te onderschatten. Uit Wikipedia: “Activism by Harjo and others has resulted in dramatic changes in the sports world since the late 20th century: by 2013 two-thirds of teams with American Indian mascots had dropped them due to these public campaigns by Harjo and others”. Ik hoop, net als jij, dat heel deze affaire koelt zonder blazen omdat het zo een geringe relevantie heeft in deze contreien, maar zeg niet dat ik je niet heb gewaarschuwd.

Met vriendelijke groet.

Open brief aan het UCI

Posted: March 20, 2016 in Crime, Facebook, justice, Sports

(Deze post heb ik oorspronkelijk gepubliceerd op Facebook op 16 maart 2016)

0025

(foto via Sporza)

Beste bestuursleden van het UCI,

Femke Van Den Driessche is 19 jaar oud.
(pauze) (stilte) …
Ik herhaal: Femke Van Den Driessche is 19 jaar oud.
(pauze) (stilte) …
En volgens u komt zij in aanmerking voor levenslang … (stilte)

Femke Van Den Driessche, die, zoals u ongetwijfeld al hebt vernomen, 19 jaar oud is, heeft uw uitspraak niet afgewacht en heeft zelf haar conclusie gisteren al getrokken: zij hangt haar fiets aan de haak. Het motortje in haar hoofd sloeg niet meer aan, vermoed ik. Veldrijden is voor haar het verleden. De toekomst ? Die hangt daar voorlopig bij haar fiets, niets te doen.

Ik zat gisteren op kantoor, toen mijn wielertoeristische collega langskwam en zei dat Femke Van Den Driessche had beslist te stoppen met veldrijden.
“Ze is pas 19”, zei hij er nog bij.
“Jammer voor haar”, zei ik, nog half in mijn spreadsheets gedoken en dus ook met aandacht maar op half.
“Inderdaad”, zei mijn collega, “maar met een levenslange schorsing en een boete van 50.000 EURO als een zwaard van Damocles boven haar hoofd zat er niet veel anders op, zeker ?”

Ik garandeer u, beste bestuursleden: de tijd dat het kost om met zo een mededeling de aandacht van “half” naar “full” te krijgen is een fractie van een seconde. Veel minder, in ieder geval, dan u nodig heeft om “le-vens-lang” uitgesproken te krijgen. Ik geef toe: het WK veldrijden lag ook al weer een paar weken achter ons en ondertussen had de Kannibaal twee Sportpaleizen laten vollopen en dan gaat zo een Femke-historie al een beetje aanleunen tegen de uitgang van het geheugen. Spijtige zaak, maar wie een fout maakt moet op de blaren zitten en patati en patata, so let’s move on. Zo gaat dat in de wereld.

Tot je plots met de neus op de nieuwe feiten gedrukt wordt waar je niets van afwist: Femke Van Den Driessche, die volgens welingelichte bron pas 19 jaar zou zijn, zou volgens het UCI levenslang geschorst moeten worden en beboet met een boete van 50.000,- EURO omwille van … mechanische doping. Dat is: doping, intraveneus toegediend aan een fiets via het frame in de vorm van een motortje. Het is een magistrale bereiding. In de doordeweekse fietsothekerszaak zal je het niet vinden. Bijwerkingen ? Nat worden in de materiaalpost. En op de bijsluiter stond ook nog: buiten het bereik van kinderen houden.

Maar sta mij toe even een zijsprongetje te maken. De laatse keer dat ik in mijn pen kroop was naar aanleiding van een verkrachtingszaak, hier bij ons om de hoek, bij wijze van spreken. Het gebeurde in een radiostudio. De ether zinderde. De dader, die de verkrachting zonder verdoezelen bekend had, kreeg door een Hof, samengesteld uit drie rechters, “opschorting van straf” en een boete van 4.500,- EURO als schadevergoeding voor het slachtoffer. Laat mij volstaan met te zeggen dat de uitspraak nogal wat deining veroorzaakte, waarmee ik niet wil beweren dat de rechters niet in eer en geweten tot hun vonnis zijn gekomen.

Maar ziet u dat bedrag, beste bestuursleden ? 4.500,- EUR, voor een aanslag op de fysieke integriteit van een tweede partij met mogelijks mentaal trauma voor ettelijke jaren als gevolg. Er werd, zo zeiden de rechters in hun vonnis, rekening gehouden met het schuldbesef bij de dader en men wilde niet de rest van zijn leven hypothekeren.

Indien we er van zouden uitgaan dat de beschuldiging dat Femke Van Den Driessche, tot gisteren een beloftevolle 19-jarige wielrenster, op de hoogte was van de sjoemelhardware in haar fiets en dus de intentie had fraude te plegen, dan heeft zij enkel schade en trauma aan zichzelf toebedeeld. En met dat schuldbesef komt het ook wel goed, durf ik te verwedden. Of wil u nog beweren dat zij, nog voor ze de gezegende leeftijd van 20 heeft bereikt, in haar eentje onherstelbare imagoschade aan het wielrennen heeft berokkend, die volgens u ter waarde van 50.000,- EUR kan gevaloriseerd worden ? Ik kan tegen een grapje, maar zoals een van onze voormalige premiers zei: “Teveel is trop en trop is teveel !”

Beste bestuursleden van de UCI, welke paddo’s waren dat waar u had aan gezeten toen u zich uitsprak voor een levenslange schorsing en een boete van zo een omvang ? Het moet in ieder geval straf spul geweest zijn. En toch vertrouw ik erop dat u mij ongetwijfeld zeer eloquent zal kunnen uitleggen waarin hem precies het verschil schuilt tussen een epo dopingzondaar die gemiddeld tussen de twee en de vier jaar schorsing aan zijn been krijgt en een kindvrouw die een versleuteld fietsje zou hebben gekregen, waarop ze in die fameuze wedstrijd dan nog niet heeft gereden, en daar levenslange schorsing voor dreigt te krijgen. Want, ziet u: ik snap het niet. Behalve dat het blijkbaar bazooka-seizoen is: Mario Draghi haalde er een uit de kast en slaagde er niet in meer dan een deuk in een pakje boter te slaan. En nu de UCI dus. Het doet mij denken aan een filmpje dat ik deze week op YouTube zag: een Brit gebruikte een draagbare raketlanceerder … om zijn sokken uit te trekken. Lachen, gieren, brullen ! … Alleen heb ik het gevoel dat zijn volgende filmpje wel eens over u zou kunnen gaan.

Wat u ook beslist over die schorsing op het einde van de week doet er eigenlijk al niet meer toe. Door die bazooka boven te halen om op een mug te schieten, heeft u zich eigenlijk behoorlijk irrelevant gemaakt: de fiets van Femke Van Den Driessche hangt aan de haak, van haar zal uw imagowinkeltje geen last meer hebben. Maar ik zou u toch ten zeerste aanraden die boete nog eens grondig te herbekijken en uzelf de vraag te stellen: welke zotte dingen heb ik gedaan in mijn jeugd ? Hoe matuur was ik op die leeftijd ? En: vanwaar komen al die nullen ???

Als het kan helpen, hier is nog een klein geheugensteuntje wat ik u gratis en voor niks aanreik. Doe eens een search op google en typ in: sjoemelsoftware. U komt ongetwijfeld op een pagina terecht waar u nog veel meer gaat leren over, jawel !, motortjes. Klik dan verder op de links beneden aan de pagina zoals daar zijn: “De kluit belazeren”; “Corruptie”; “Doden door te hoge uitstoot”. Het zal u verbazen wat voor fraais daar allemaal te lezen valt. En als laatste stap in uw onderzoek, doe dan eens een search op dit: “In het sjoemelsoftware schandaal: wie van de verantwoordelijken heeft er levenslang verbod gekregen nog een managementfunctie op te nemen en wie betaalt wat uit eigen zak ?”. Wil u een hint over het juiste antwoord, kijk dan naar mijn vette knipoog.

Met onbegrijpende groet.

P.S. Kan iemand dit bericht bevestigen: Femke Van Den Driessche, die zou pas 19 jaar oud zijn ?!

Screenshot_19

Een vonnis waarbij men het in Keulen hoort donderen, zo postte ik op mijn Fb-pagina … Ik probeer wel twee keer na te denken voor ik een mening op sociale media lanceer (en ja, ik weet het, iedereen heeft zijn buik al lang vol van al die kleine meninkjes die er niet toe doen, maar een kip houdt zijn ei ook niet op wanneer door een salmonellabesmetting eventjes niemand eieren eet, dus ik leg de mijne ook maar, in het luchtledige als het moet, kwestie van mentale constipatie te vermijden) maar van deze kreeg ik in de dagen die erop volgden toch een heel klein beetje spijt. Met alles wat er na dit editoriaal in De Morgen van Bart Eeckhout verscheen in de pers, had ik het gevoel dat ik mij bezondigd had aan datgene waarvan actieve deelnemers aan die sociale media zo vaak beschuldigd worden: steekvlampolitiek, de waan van de dag, … enfin, u weet waarover ik het heb. En toegegeven, die zonde is mij absoluut niet vreemd. Indien ik nog gelovig was, ik zou ze biechten.

Er werd namelijk nogal wat afgenuanceerd door eminente Vlamingen in de dagen die volgden op het vonnis en ik kroop steeds verder weg in mijn hoekje, stilletjes jammerend dat ik mij zo onwetend had laten gaan. Het licht zien, betekent soms dat terzelfdertijd het licht ook uitgaat. Game, set and match … voor de tegenstander aan de andere kant van het net. En het waren niet eens tegenstanders: het waren medestanders die alles voor de onwetende bevolking nog eens in het juiste perspectief plaatsten.

Met andere woorden: op een bepaald moment werd het persoonlijk.

Maar vandaag kan ik zeggen: ik heb het voorlopig zo wel een beetje gehad met al die ratio en die kadering, want waar al die stukken die ons de nuancering, foie-gras gewijs, door de strot naar binnen duwen een toch wel opmerkelijk gebrek aan vertonen is … nuance !

Een paar voorbeelden:

“De dwazen beseffen van iets pas de waarde als ze het hebben verloren.”

Henri Heimans, ere-Kamer-voorzitter van het Gentse hof van beroep, citeert Sophocles om mij in de categorie der dwazen onder te brengen.

“Verkrachters van de rechtsstaat”

Voor advocaat Walter Van Steenbrugge zit ik – o ironie !- in het kamp van de verkrachters. Het slachtoffer zal het graag horen.

“Deze lichtzinnige en al te emotionele fanfare, kon niet snel genoeg voorbijtrekken”

En voor advocaat Kris Wellekens van de Gentse Balie loop ik mee in De Fanfare van Emotie en Populistische Worst. En daar hield het niet op:

“The opposite for courage is not cowardice, it is conformity. Even a dead fish can go with the flow.”

Ik was ook nog een dode vis. En tenslotte:

“Hopelijk zal men zich wél vragen stellen bij de vaststelling dat diezelfde schijnwerpers plots blijken te doven bij het nieuws dat het slachtoffer heeft berust en derhalve het vonnis heeft aanvaard. Is het niet opvallend hoe weinig de schrijvende pers hierover bericht? Het contrast met de eerdere opruiende berichtgeving is bijzonder groot.”

Uit niets in zijn tekst mag blijken waarom het slachtoffer in het vonnis heeft “berust” en het heeft aanvaard. In zijn opinie is dat gewoon een feit, zwart op wit, dat genoeg moet zijn om elke contestant van het vonnis van antwoord te dienen en hen de mond te snoeren. Of er mogelijks financiële motieven aan de grond van deze beslissing zouden kunnen liggen (te weining geld om nog verder te procederen ?), of de vrouw misschien zo gedesillusioneerd is in deze uitspraak dat zij het liever niet nog een keer in beroep wenst mee te maken …. : van Kris Wellekens komt men het niet te weten. Heeft hij meer informatie ? Heeft hij zich die vraag überhaupt gesteld ? … Het nuanceverhaal rammelt een beetje.

Maar goed. Ook al zijn dit maar opmerkingen in de rand en vormen zij in geen enkel opzicht de kern van de argumentatie van elk van deze heren, toch valt het op dat mensen die anderen verwijten de subtiliteit van onze rechtsstaat niet te begrijpen, zelf niet bepaald subtiel met hun eigen taalgebruik omgaan. Om het in hun jargon te zeggen: waarvan akte.

Maar er is uiteraard veel meer.

Laat mij over één ding duidelijk zijn: in geen geval betwist ik de mérite van elk van deze stukken om terug enige sereniteit in het debat te brengen, om een aantal misverstanden op te helderen en om de verdediging van ons rechtssysteem op zich te nemen. Ik geef toe: zonder deze heren was er geen debat geweest, alleen maar gemor, geroep en over-reactie.

Daarom hoef ik echter nog niet alles te slikken wat zij ons allemaal voorschotelen in naam van het Grote Gelijk. Nogmaals Kris Wellekens bijvoorbeeld verwoordde het zo:

“Op basis van één enkel vonnis werd in de publieke opinie opnieuw moord en brand geschreeuwd over justitie, ieder met zijn eigen agenda op zak.” (cursivering door mij).

Maar wat is dat dan eigenlijk, die agenda ? Als men over iets zijn mening geeft, terecht of onterecht, dan heet zoiets dus meteen “een agenda hebben” ? Wat is er gebeurd met de pure, onbaatzuchtige, recht-vanuit-de-buikse, ongezouten, agendaloze opinie ? Wanneer werd die voor het laatst in de leefwereld van advocaten en ex-magistraten gespot ? En waarom zou ik dan moeten aannemen dat al deze heren, die hun dure tijd hebben gespendeerd om deze stukken te schrijven, dat dan wèl zonder hun eigen agenda zouden hebben gedaan ?

Wellekens had zich overigens in zijn vorige zin ook al behoorlijk in de voet geschoten.

“Een nochtans op het eerste zicht niet meteen uit de band springend vonnis, van drie Gentse strafrechters in een verkrachtingszaak, heeft voor heel wat beroering gezorgd, in eerste instantie bij boe-roepers, vrouwenbewegingen en sommige ‘deskundigen’.”

Ik herhaal het: subtiliteit was niet altijd op de afspraak tijdens het schrijven. Het zat waarschijnlijk vast in de file ter hoogte van pagina 36 van de eigen agenda. Boe-roepers, vrouwenbewegingen en ‘deskundigen’ (naar verluidt een sub-groep van de meer bekende soort deskundigen) worden vrolijk samen in de ramsj gedaan. Wat opvalt bij deze bewering is dat het verwijt van de heer Wellekens -indien dat al juist zou zijn- dat al die Malcontenten zich op basis van één vonnis als een grote Godzilla op deze rechters storten, gepareerd wordt door precies dezelfde tackle, namelijk dat men op basis van één enkele opinie meteen een boe-roeper of een deskundige tussen aanhalingstekens wordt. Als de pot de ketel verwijt, gaat de scheidsrechter rode kaarten te kort komen.

Maar laat ons nu naar de kern van het hele debat gaan: het vonnis. Dat is zeer interessante lectuur en dat vonden met mij blijkbaar velen. Waar bijna al de hier aangehaalde stukken uitdrukkelijk melding van maken, is dat de rechter enkel kan spreken in zijn vonnis en zich daarna niet meer tegen de publieke opinie kan verweren omdat hij/zij er verder niet meer mag over communiceren. Verschillende van de schrijvers lijken het dus -tussen de lijnen- laf te vinden dat de rechters zò op hun vonnissen worden aangevallen als in dit geval. “Zij hebben geen verweer, meneer !”. Dat zal ongetwijfeld kloppen en ik wil daar dan ook niet op afdingen: na het uitspreken van het vonnis, is een rechter en zijn vonnis overgeleverd aan de publieke opinie, in goede en in kwade dagen. Hij/zij heeft dus maar dat ene instrument in handen om te “spreken”. Daartegenover staat dat de publieke opinie, die hier aan de schandpaal wordt gepraat, ook enkel maar dat vonnis heeft om zijn mening te vormen omtrent een bepaald proces. Rechters weten dat ook, dus kunnen ze er maar beter voor zorgen dat hun vonnis zo accuraat mogelijk hun oordeel en motivatie weergeeft.

Wat staat daar nu te lezen ?

“De rechtbank benadrukt dat de beklaagde niet kan beschouwd worden als een persoon die voorafgaandelijk de intentie had om (naam van het slachtoffer, nvdr.) in de val te lokken en te verkrachten. Veeleer is er sprake van een persoon die op een bepaald ogenblik opgewonden raakte bij de opbouw van seksuele spanning, die de signalen van de burgerlijke partij verkeerd interpreteerde, die de controle verloor en die op een bepaald ogenblik seksuele handelingen stelde vanuit zijn eigen beeld van de realiteit waarbij hij geen aandacht meer had voor de duidelijke grenzen getrokken door de burgerlijke partij”

Dat is best een …euh … “spannend” stukje lectuur. “De signalen van de burgerlijk partij verkeerd interpreteren”: het zal je maar overkomen !

Stel u voor dat u als autobestuurder aan een spooroverweg komt. Iemand zegt “nee”: het signaal slaat op rood en een bel begint te rinkelen. Zelfs in de mist ziet u misschien niet het licht, maar hoort u zeker de bel. Wanneer iemand acht keer “nee” heeft gezegd, dan bent u, als bestuurder, bewust op het gaspedaal gaan staan en in volle vaart flagrant door de ondertussen ook neergelaten slagbomen gereden. Ik weet niet wat op zo een moment de “eigen realiteit” dan voorstelt, maar er schort nogal wat aan, aan die realiteit, me dunkt. Toch blijkt het dus mogelijk om vanuit die realiteit sexueel totaal ontoelaatbare handelingen te stellen die (met dank aan Meester Wellekens voor deze opheldering) wel op het strafblad terechtkomen maar nièt op het “Bewijs van goed gedrag en zeden”. Ik daag elke advocaat uit om dit eens aan een zaal vol gewone mensen te komen uitleggen. Veel succes !

Ik heb zo onderhand een serieus probleem met het gebruik van dat woordje “signalen” in ons Belgenland. Men mag met duizenden gaan betogen op straat, in België blijft zoiets altijd “een signaal”: het wordt nooit “een opdracht”. Zoals hier ook een signaal nooit “een verbod” is geworden. Men heeft enkel “geen aandacht gehad voor de duidelijke grenzen die werden getrokken”: zoiets is duidelijk meer verschonende taal (want wie wordt al eens niet afgeleid, nietwaar ? Het is des mensen, en zeker als man, want dan moet je om de zeven seconden aan sex denken ! Logisch dat je dan even een signaaltje mist) dan zeggen dat iemand “in volle bewustzijn het verbod heeft genegeerd en de andere persoon aan zijn wil heeft onderworpen”. En daar, heren juristen, heeft de publieke opinie een hekel aan, misschien meer nog dan aan de ondraaglijke lichtheid van de straf. Want hoe ieder van deze schrijvers het ook draait of keert, deze straf mist elke … jawel, signaalfunctie: een financiële vergoeding van de orde van grootte zoals hier uitgesproken mist die functie volledig, omdat men nooit weet hoe vermogend de beschuldigde echt is en hoe diep zoiets snijdt in zijn budget. Met andere woorden, de financiële vergoeding is nooit een egalitaire maatregel: de rijke verkrachter loopt met zoiets fluitend de gerechtszaal uit, terwijl de kleine gemene bospoeper een lening moet aangaan. En hoe men ook “opschorting van straf” probeert uit te leggen als zijnde een echte straf, wederom: de mayonaise heeft al beter gepakt. Ik vermoed dat weinigen van de boe-roepers absoluut zouden aandringen op een effectieve gevangenisstraf, maar een werkstraf, een verplichte begeleiding … whatever mogelijk was binnen het justitieel bestel voor dit soort vergrijpen had een minimum moeten zijn.

En, oh ja, het was “geen brutale verkrachting”. Heeft een Freudiaanse hersenscan van het slachtoffer dat duidelijk gemaakt, misschien ? Is het allemaal zo klaar als een klontje wat er zich daar onder die hersenpan van de vrouw heeft afgespeeld en misschien nog afspeelt ? De lichtvoetigheid waarmee hier over de term “brutaal” gehuppeld wordt, die reductie van het woord tot een puur fysiek fenomeen, is een beangstigende “nuance” die ook door alle hier reeds aangehaalde auteurs vlot met de mantel der liefde wordt bedekt.

Kort gezegd, dat vonnis -die enige manier waarop een rechter met de buitenwereld over een zaak kan en mag communiceren- stottert een beetje.

En terwijl we het toch hebben over signalen: er werden ook vragen gesteld naar hoe het toch mogelijk was dat er zo veel commotie ontstond rond één, niet eens zo buitengewone, zaak. Men vond dat vreemd. Misschien moeten de heren het vonnis zelf nog maar eens herlezen en dan vooral het stuk waar het gaat over die verkeerd geïnterpreteerde signalen. Want ja, uiteraard was het een kakafonie en een lawaai van jewelste, zoals men in elke volksvergadering wel eens meemaakt, of die nu “live” of digitaal wordt gehouden (die twee realiteiten zijn al lang niet meer duidelijk te onderscheiden en hebben ondertussen bijna evenveel overlappingen als ze autonome ruimte hebben). Dus de vraag waarom dat dan wel gebeurde, is absoluut relevant, maar niemand die deze “hetze”, als zij het dan toch zo willen noemen, interpreteert als een signaal, laat staan een “opdracht” waaraan zij en, mèt hun, allen die bij Justitie betrokken zijn, heel hard moeten werken. Men focust zich op de zaak, en de zaak alleen, zoals ze daar als een grote, ronde IKEA-lamp in het midden van een steriele witte kamer aan het plafond hangt, klaar om van alle kanten te worden bekeken, beoordeeld en veroordeeld: schuld, strafmaat, schadevergoeding; de rechtsstaat; de rechters; het vonnis. … En dan spreken zij allemaal over de nood aan nuance, terwijl buiten die stille, witte kamer een menigte staat te roepen. Uiteraard heeft die menigte het over veel meer dan enkel maar deze, in het Groter Geheel Der Dingen, pietluttige zaak. Die menigte zet een baken in de grond voor de persoonlijke integriteit, “the last frontier” die men niet wil en zal laten bestormen, terwijl men om zich heen allerlei andere soorten justitiële muren scheuren ziet vertonen. Zoals een rechter enkel kan spreken in zijn vonnis, kan de publieke opinie enkel maar gekend worden als ze zich laat horen En wat volgens mij de meerderheid in die menigte roept, is nièt dat ze die rechters willen lynchen of zelfs maar dat het proces zou worden overgedaan, maar dat ze bang zijn voor de consequenties van een dergelijke uitspraak zoals hier in Gent is gedaan. Is het in deze niet zeer opvallend dat niemand van de schrijvers die ik hier heb vermeld ook maar melding maakt van wat prominent in het “provocerende” artikel van Bart Eeckhout in De Morgen te lezen was:

Twee weken geleden nog moest minister van Buitenlandse Zaken Didier Reynders in de VN-Mensenrechtenraad gegeneerd gaan uitleggen waarom in de rechtsstaat België de politie elke dag acht verkrachtingen registreert, waarom er in de rechtsstaat België officieel geschat wordt dat die aangiftes maar een tiende zijn van het werkelijke aantal seksuele aanrandingen en waarom er in de rechtsstaat België toch amper iemand veroordeeld wordt voor seksueel geweld.

De IKEA-lamp aan het plafond in die steriele witte kamer is interessanter, neem ik aan, maar wanneer niemand dat signaal oppikt, of het op zijn minst al als zodanig onderkent en benoemt, gaat dat roepen blijven aanhouden. Ongenuanceerd, ja.

En tenslotte moet dit mij nog van het hart. Het woord “emotie” spoelde over de kaaimuren van deze artikels zoals het springtij in Antwerpen. “Emocratie” werd ons verweten. Het was een fanfare van emotie. En dat emoties geen plaats hadden in de beoordeling van zo een zaak. Of zoals Leo Neels het verwoordde:

“Kortom, recht is een hardnekkig fenomeen in de samenleving: het brengt rationaliteit en proces in emotionele zaken.”

Klopt, de emoties deden hun duit in het debatzakje. Zijn we daar met zijn allen slechter van geworden ? Neen, het vonnis -en last time I checked- ook de rechtsstaat staat nog altijd overeind. Maar de volgende keer dat een advocaat voor de camera’s van de VRT zijn cliënt met veel bombarie staat te verdedigen in een zaak waarin een procedurefout werd gepleegd en met rood aangelopen gezicht in de micro weet te vertellen dat “de rechten van zijn cliënt werden geschonden en dus vrijspraak de enige mogelijkheid is”, dan zal ik ook denken: “Je hebt gelijk, Meester. Met de Wet sol je niet en er nonchalant mee omgaan is het beste recept voor chaos. Maar bespaar me asjeblief jòuw emo-gelul over geschonden rechten: er ontbrak één handtekening op één velletje papier in een dossier van enkele duizenden pagina’s. Dàt is de waarheid en al de rest is theater van zeer bedenkelijk allooi. Het soort theater dat boe-roepers aantrekt.”

Gaazton

Posted: February 7, 2016 in Uncategorized

– Dag jongeman !

De vijftig zit er bij mij ook weldra aan te komen. Een andere verklaring voor de grijns op mijn gezicht is er niet.

Telkens ik hem zie, doet hij mij een beetje aan Youp Van’t Hek denken. Het antwoord op het “waarom ?” ben ik nog steeds aan mezelf verschuldigd. Zoals hij daar staat in zijn onberispelijk witte stofjas aan de afdeling broodwaren, is de vergelijking met Youp -toegegeven- een tamelijk abstract en minimaal onderbouwd gedachtenexperiment. En toch … Misschien is het dat brilletje. Het moèt wel, want in de verste verten verdenk ik hem er niet van Youp te heten. Youps dragen bretellen; Youps dragen gèèn witte stofjassen. Zoveel is duidelijk in mijn wereldbeeld. Neen, bij het zien van deze meneer wringt zich steeds de naam Gaston naar het hoogste schavotje op mijn kandidatenlijstje. Niet de Gaston zoals we die kennen van Gaston Berghmans of Gaston Roelandts, met die zachte Belgische G vooraan die dan die zware ton op het eind achter zich aansleept, maar eerder die welke begint met zo een Franse G -laat ze ons de Gainsbourg G noemen- en dan openbloeit tot de “Gaaaaz” van Brel, met zo een lange a (zoals in “aaaah, mais c’est formidaaaable çaaaa !”), gevolgd door een lichte ton met op het eind een bijna onhoorbare, nasale n … Gaazton. Zoiets. Een naam waar een Britse butler een moord voor zou begaan om hem te hebben.

Wanneer ik mijn huis uitwandel, gewapend met mijn Colombiaanse mochilla nonchalant over mijn schouder, twee keer links aanhoud, de steenweg oversteek en daarna de parking om tenslotte door de openschuivende winkeldeur recht op de afdeling broodwaren af te stevenen, dan kom ik hem daar met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tegen. Gaazton. Of hoe hij ook mag heten. Behalve Youp. En altijd in die witte stofjas. Die droeg hij al de eerste keer toen ik hem daar ontmoette, tijdens de openingsdagen van de nieuwe winkel. Hij stapte op mij toe met zijn immer kamerbrede glimlach en in elke hand een mandje met een paar sneetjes brood: rechts op basis van gist, links op basis van desem. En of ik soms even wilde proeven. Dat wilde ik wel. … Het proeven duurde een kwartier … Een kwartier gevuld met een uitleg over de artisanale manier waarop het brood werd gemaakt. Over het graan dat in het zuiden van Frankrijk nog op steen werd gemalen. Aan het eind van het betoog, tijdens hetwelke ik één sneetje brood met gist en één sneetje met het wat zuurdere desem achter de kiezen had gestopt, en dan nog eentje met gist om het af te leren, had ik een lichtblauw vermoeden dat het artisanale meel nog met de bakfiets vanuit Frankrijk werd aangevoerd ook. Ondertussen hadden drie mensen, die mijn absolute onvermogen om te ontsnappen uit dit verbale Alcatraz hadden bemerkt, oogcontact met mij gezocht en dan ingeschat dat het wel ok was om mij voor te springen en hun bestelling eerst te plaatsen. Ik stond erbij, keek ernaar en vond het goed. Artisanale ambacht verdient de aandacht die de traagheid hem soms ontzegt.

-Dag jongeman, zei hij dus.

En wanneer hij mijn grijns bemerkt, begint hij over de reacties op de gezichten van al die mensen waarbij hij deze “truc” al heeft uitgeprobeerd. Hij lijkt mij een onverbeterlijke optimist, Gaazton. Niet zo eentje die dat optimisme net de tijd van het obligate verkoopspraatje kan laten overleven, maar zo iemand die de eeuwigheid als een spinnende, langharige Angora kat aan zijn voeten heeft liggen en het pad er naar toe met artisanaal brood plaveit, zodat iedereen er zijn weg heen vindt. Iedereen. Want wat voor een Belg is het die geen brood eet, zeg nu zelf.

-Wat mag het voor u zijn ?

Ik vertel hem “dat hij mij vandaag een Flandrien mag geven”. Dat klinkt als een uitgekiende keuze van iemand die het gamma door en door kent, maar is het -ik beken- in werkelijkheid niet. Ook de vorige èn de volgende keer dat ik aan zijn afdeling broodwaren een brood heb besteld of zal bestellen, was het of zal het een Flandrien zijn. Dat heeft namelijk op zicht de zachtste korst en ik houd niet zo van harde korsten rond mijn boterham. Ik ben een softie, als het op brood aankomt. Ik bespaar Gaazton echter deze intieme gedachtenkronkel en hij neemt een Flandrien van het rek. En of ik dat graag gesneden had gehad. … Telkens hij die vraag stelt voel ik een dilemma opkomen. Hij lijkt mij namelijk het type dat getroffen wordt door een pijnscheut ter hoogte van zijn hartstreek wanneer iemand vraagt om het brood te snijden, want ook in zijn afdeling broodwaren wordt het brood, heden ten dage, machinaal gesneden. Bewijzen heb ik niet, maar ik vermoed dat in het diepst van zijn gedachten deze Gaazton, deze bakker met een brilletje, nog steeds de herinnering aan het oude broodmes koestert. Dat broodmes waarmee voor onze ouders hun boterham nog door hun moeder werd afgesneden. Dat broodmes waarmee het gezin Van Paemel overleefde, waar De Witte groot mee werd, dat zijn laatste gloriemoment in “De Paradijsvogels” heeft beleefd … dàt broodmes, dat zit er volgens mij bij hem nog in. Dus wanneer ik antwoord dat ik het, ja, graag gesneden had, voel ik mij een verrader. Alsof ik hèm zonet met een bot broodmes heb neergestoken.

Terwijl hij het brood in een zak verpakt en mij dan over de toog aanreikt, vertelt hij mij nog over zijn vader, die duivenmelker was, en razend kwaad kon zijn op Armand Pien met zijn belachelijke weerberichten. Ik had het gevoel dat er slachtoffers waren gevallen. Onder de duiven, bedoel ik. Waarna ik innerlijk fluitend de winkel uitloop. De Flandrien heeft geweldig gesmaakt. Met dank aan Gaazton.

 

 

De Geur van Geisha

Posted: August 29, 2015 in Uncategorized
Tags: , ,

Koffieplanten op de hacienda “El Roble” in Mesa de los Santos, Santander, Colombia

(Het verhaal hieronder is mijn bijdrage voor de wedstrijd “Het Parlement van de Dingen”, uitgeschreven door “De Correspondent”. De opdracht:  “Schrijf een kort verhaal of gedicht waarin een dier of ding spreekt in het Parlement en zijn of haar belangen en doelen verdedigt. Wat heeft het water ons te vertellen ? Welke keuzes maakt het ijzer ? Hoe formuleren het hout, plastic, graan of de eekhoorn en koffieboon hun belangen ?”)

—————————————————————–

“En jij ?” vroeg hij.

De situatie was, alle omstandigheden in acht genomen, een beetje vreemd te noemen. In plaats van fijngemalen en met gloeiend water overgoten te worden, lag ik hier, geroosterd maar intact, op de hand van een schepsel zoals ik er zo veel op de plantage had zien rondlopen. Alleen, die op de plantage waren kleiner, donkerder, met een meer getaande huid en breedgerande hoed. Ik noemde ze “koffieërs”, want het was duidelijk dat het bij hen allemaal om ons, koffiebonen, te doen was. Hun lijven, hun handen, hun vingers roken naar koffie; hun leven waren wij … koffie.

Deze hand echter was anders. Deze hand rook niet naar koffie, onder de nagels geen restanten van de peul waarin ik was opgegroeid. Deze hand was blank en terwijl ik zijn geur niet herkende, had deze koffieër aan mij geroken, diep en langdurig. Ik had het als aangenaam ervaren, en na een tijdje voelde ik me zo op mijn gemak dat ik met graagte mijn beste aromatische geuren was beginnen vrij te geven. De geur van Colombia. De geur van Santander waar ik was geboren. De geur van Geisha. En aan mij, die kleine onooglijke boon in zijn grote hand, begon deze bleke koffieër te vertellen over zijn grootmoeder in dat huis waar hij zo vaak als kind had gelogeerd in de weekends. Er waren nog van die oude bedden waarin hij had geslapen, met plompe matrassen en van die lange hoofdkussens die je als een boog recht kon stellen en er dan onder gaan liggen in plaats van er bovenop, maar dat deed je pas onder de ochtend, wanneer je wakker was, want ‘s avonds wilde je enkel maar slapen. Op het hoofdkussen, niet eronder. Zijn grootmoeder, zei hij, ging op zondag altijd naar de “eerste mis”, om zeven uur ‘s ochtends. Ze was haar leven lang de vrouw van een bakker geweest, dus uitslapen, ook in het weekend, was aan haar niet besteed. Haar man, die bakker en de koffieër zijn grootvader, ging op zondag altijd naar de “hoogmis”. Die was om tien uur. Daarna ging hij in het café in het dorp kaarten tot het tijd was voor het middageten, want van “lunch”, daar had toen nog niemand van gehoord. Het was echter het moment waarop zijn grootmoeder terugkeerde van haar plicht in de kerk dat hij zich het best herinnerde, vertelde de koffieër me. Vanuit  zijn bed zou hij horen hoe de achterdeur die uitgaf op het terras werd opengedaan en kort daarna weer gesloten. Er volgden wat momenten van gestommel waarin ze haar schoenen en jas zou uitdoen, voor de spiegel zou controleren of haar haarwrong nog goed zat, alvorens het geluid van de elektrische koffiemolen zou weerklinken. Zijn grootmoeder kocht altijd ongemalen koffie. Het was pas toen er koffie diende te worden gezet dat de bonen de molen in gingen. En zo was het dat, op die zondagochtenden, niet enkel het geluid van de koffiemolen, maar ook het aroma van vers gemalen koffie zich vanuit de keuken door de gang tot in de slaapkamers verspreidde. En dan wist je: er werd aan het ontbijt gewerkt. Tijd om nog snel even onder die boog van het hoofdkussen te kruipen.

Hij vertelde het me, van man tot boon, met een blik alsof alle herinneringen aan die tijd als restantjes koffiegruis aan zijn ziel waren blijven plakken en hij het er nooit of nooit van af wilde vegen.

“En jij ?” vroeg hij toen. “Hoe zit het met jou en waarom ruik jij zo lekker ?”

Ik voelde me een beetje gepakt want niemand aan mijn struik of van de omliggende struiken had me ooit de mogelijkheid van zo een scenario voorgehouden, waarin ik over mezelf zou moeten vertellen aan een wildvreemde koffieër. Maar nu het toch zo ver was, dacht ik: “So what ? Laat mij dan maar boontje de voorste zijn die dit voor het eerst doet.” Ik gaf nog een diepe aromastoot en begon te vertellen.

” Ik heb een gelukkig leven gehad, alvorens ik hier in jouw hand belandde, en omdat ik zo gelukkig heb geleefd, weet ik hoe ik jou gelukkig kan maken. Ik werd geboren aan de Tafel van de Heiligen, de Mesa de los Santos, op de plantage van de hacienda El Roble. Mijn moeder, een mooie koffiestruik, was Geisha en zo werden wij, mijn broertjes en zusjes -haar “boontjes”, zoals ze ons liefkozend noemde-, allemaal opgevoed to Geisha. Onze soort, zei ze, stond in hoog aanzien bij kenners wereldwijd en daarom kregen wij alleen het allerbeste van wat de aarde ons te bieden heeft.

Vooreerst was dat … schaduw. Heel mijn leven lang waakte mijn familie vanuit de hoogte over mij, dat ik het niet te warm zou krijgen onder de zon, die heftig kan zijn in Santander.. Eigenlijk was het geen echte familie, want zij waren geen Geisha en, meer nog, produceerden zelfs in het geheel geen koffie, maar omdat we zo nauw samenleefden met die bomen, dag in dag uit, beschouwden we hen evengoed als even zovele nonkels en tantes. Met hun bladerdak, het ene al fraaier dan het andere, schermden ze ons af van de zon, maar ook van de hevige slagregen. En hoe meer wij groeiden en zwaarder werden en mijn moeder haar takken steeds meer gingen doorbuigen onder ons gewicht, hoe dankbaarder ook zij voor die schaduw was. Er was echter nog een reden: ze klaagde steeds meer over de warmte in haar wortels. Wij plaagden haar daar wel eens mee: “Je wordt oud, mama ! Je zit in de overgang, mama !” Maar dan werd ze kwaad en zei ze dat wij, lullige boontjes, er niks van begrepen. Dit was niet iets wat voorbijging, dit had niets te maken met haar ouderdom. Dat constante en toenemende gevoel van warmte, daar waar wij het niet konden zien, dat baarde haar duidelijk zorgen en wij deden er dan ook wijselijk het zwijgen toe.

Zingen was nooit haar sterkste kant, maar heel mijn leven ben ik niet één dag zonder muziek geweest. Muziek bij het wakker worden en wiegeliedjes bij het slapengaan. Gezongen door zangers van alle mogelijke pluimage, elk gebekt en gemazeld in hun eigen soort muziek. Ze werden aangetrokken door die fijne omgeving die onze uitgebreide familie ter beschikking stelde en het voldeed perfect aan hun exquise artistieke verlangens. Je zou het een soort van mecenaat kunnen noemen, dat wij hen aanboden. Muziek verzacht de zeden, hoorde ik eens zo een koffieër zeggen. Ik wou hem nog naroepen: “… en verzacht het aroma van de koffie !” maar hij was al … boem paukeslag … verdwenen. Anderzijds, terwijl wij hen gratis repetieruimte en podia voor hun diverse optredens boden, vroegen wij wel van dat zoetgevooisd zootje ongeregeld in hun knotsgekke verenpakjes dat zij ons ook zouden “vlooien” zoals ik het eens iemand hoorde noemen. Die deal werd zonder verdere discussie aangenomen: overdag hielden zij ons vrij van al die wanstaltige kevers en ander parasitair gespuis en voor de rest mochten zij zich volledig toeleggen op hun  kunst. Het was een volmaakte symbiose, zo perfect -als je mij deze woordspielerei toestaat- als het samenspel tussen een geisha en haar shamisen.

En dan het eten …

We aten het beste uit de aarde, niets meer en niets minder. Als het kon, zou ik je zo graag eens willen uitnodigen bij mijn moeder en je laten meeproeven van die grond en dat water. Pure grond, met toetsen van mos en hout, en water van regen en ochtenddauw, opgeslagen onder het dak van onze nonkels en tantes: dat moet je proeven ! Dat valt met geen woorden te beschrijven. En dat aten en dronken wij elke dag, zodat we opgroeiden tot de bonen die we vandaag zijn. “Gezond eten en dan komt al de rest wel in orde”, was het motto van mijn moeder. Aan de Tafel van de Heiligen was men het daar helemaal mee eens en werd mijn moeder op haar wenken bediend. Tijdens haar leven is ze overladen met ronkende eretitels die ze zelf niet altijd verstond, gaande van “Single Origin” tot “Rainforest Alliance”, maar het meest trots was ze altijd op dat “Organisch”. Daarvan was ze doordrongen tot in het diepst van haar wortels; die eretitel, die straalde ze uit en pompte ze ons in. Ikzelf ben van nature nogal trots, dus ik heb me mijn hele leven, meer nog dan  koffie, vooral Geisha gevoeld. Dat bloed, die stamboom, dat zat in mij en ik glom van trots telkens ik een van de koffiërs die ons verzorgden onze naam tegen een potentiële koper -die je herkende aan het lawaai waarmee ze door de plantage banjerden- hoorde noemen. … Geisha ! … Yes ! … Maar nu, in mijn geroosterde nadagen, ben ik tot het besef gekomen dat ik enkel maar Geisha kon worden omdàt ik organisch ben. Wat ik ben vandaag, de wijze waarop ik hier op je hand lig te geuren, is het gevolg van een keuze die is gemaakt en die de oorzaak is van de naam en faam die onze familie nu geniet in het koffieversum en ver daarbuiten.”

“Bedoel je dan dat jouw manier van koffie-zijn de enige aanvaardbare manier is ?”

Ik zweeg even. Een heel leven, van knop tot boon, van groen tot rood, doorgebracht in de schaduw van de hacienda El Roble en zijn hoge bomen, trok in een paar zalige ogenblikken terug aan mij voorbij en toen wist ik ook wat te antwoorden.

“In tegenstelling tot jullie, koffieërs, heb ik, Geisha-boon, tijdens mijn jonge leven nooit gereisd. We zijn  sedentair. We hebben die rustige vastigheid nodig om te groeien en te bloeien. Wat je nu ruikt, wat je proeft, is het resultaat van al dat hardnekkig non-bewegen in de schaduw. Het is pas eens we geplukt zijn dat wij beginnen reizen. Eénmalig. Zonder retour. Een reis waarvan we nooit meer terugkeren. Maar dat wil niet zeggen dat wij tijdens ons leven ignoramussen zijn. Dagelijks waren die plantage-koffieërs met ons bezig en hoorden we ze onder elkaar hun verhalen vertellen, over koffie, want zoals ik reeds zei: hun leven ademde koffie. En dan waren er natuurlijk ook de gevederde zangers en muzikanten. Sommigen onder hen hadden zich voorgoed gevestigd op de plantage maar bij anderen was het een voortdurend gaan en komen. Het was een heel eclectisch volkje, die kunstenaars. Maar uiteraard brachten ook zij de verhalen mee van de plaatsen waar ze waren geweest. Aangezien we niet veel anders omhanden hadden in onze jeugd dan te groeien, hadden mijn broertjes en zusjes, en ikzelf ook uiteraard, overschot van tijd om naar al die verhalen over andere koffieplaneten te luisteren.

Vaak ging het erover hoe vet en dik die koffiebonen daar op die andere plantages wel waren en soms zag je zo wel eens één van die flierefluiters met een meewarige blik naar mijn moeder kijken terwijl hij ons aan het “vlooien” was en hoorde je hem denken: “Nou mevrouwtje, je zou die armzalige bloedjes van kinderen van jou beter wat meer te eten geven in plaats van achter al die trofeeën en certificaten aan te gaan !”. Maar mijn moeder gaf geen krimp. “Topwijf”, hoorde ik een van de koffieërs op een keer zeggen. Want van hèn, zij die zich met de koffie bezighielden in plaats van met de kunst, zij die begrepen waarover het echt ging, hoorden we het hoe en waarom van die superbonen daarbuiten. Die hun moeders werden gevoed met wat zij “fast food” noemden: dezelfde grond en hetzelfde water als bij ons op de plantage, maar dan aangevuld en vermengd met een hele hoop andere rommel. Waarom dat nodig was vertelden ze ons ook. Op die andere plantages had men namelijk het hele sociale weefsel ontrafeld: de nonkels en de tantes die ons afschermden van alle extreme weerelementen, had men daar omgekapt, zodat er meer plaats was voor koffiestruiken maar dat zorgde er wel voor dat die arme bonen blootstonden aan wat verschrikkelijks er ook over hun hoofden passeerde en doordat de statige bomen er niet meer waren, waren er ook geen podia voor al die kunstenaars die ons dag na dag vermaakten èn ons vlooiden, dus die gaven daar bij hun doortocht hoogstens een pop-up concertje van twee keer niets, gevolgd door een snelle hap en weg waren ze al weer. Met andere woorden: die bonen waren volledig op zichzelf aangewezen en daarvoor hadden ze dat krachtvoer nodig. Maar zelfs dat was dikwijls niet voldoende om te weerstaan aan “het jongetje”. Wanneer de koffieërs het hadden over El Niño, hoorde je hun stemmen van toon veranderen. Ze werden grimmiger en de tanden gingen op elkaar. Spreken over El Niño -dat was duidelijk- deed je vanuit de buik, waar het eten dat je de kracht geeft om te vechten passeert maar waar ook de angst resideert. Sommigen van hen hadden op van die andere plantages gewerkt en van hen hoorden we de horrorverhalen over de dood en vernieling die dat jongetje daar in bepaalde jaren had aangericht. Die angst, dat het ook bij ons op de plantage zou kunnen gebeuren, liet hen nooit los. Ik was er hen altijd dankbaar voor, want je voelde gewoon dat die angst hun zorgen aan en bezorgdheid om ons alleen maar dieper en intenser maakte. … En nu moet je goed luisteren, want dit heb ik nog nooit aan iemand anders verteld, maar ik beschouwde hen eigenlijk ook een beetje als familie. Wij, Geisha bonen, zijn misschien trots, maar we zijn ook genereus.”

“Wow !” zei hij.

“Weet je wat het is wat het verschil maakt ? Bij een boon als ik passen alle puzzlelstukjes in elkaar. Ik ben niet het product van mijn moeder alleen maar het product van een heleboel andere dingen die er samen aan gewerkt hebben dat ik nu ben wat ik ben. Dat gaat over de aarde waarin we opgroeien, de bron die het water naar onze wortels brengt, de bomen die ons beschutten, de kunstenaars die ons entertainen, de bekjes die ons vlooien enzovoort. Het hele plaatje klopt. Ik hoorde de koffieërs ook altijd vertellen over hun familie. Er was enerzijds koffie en anderzijds familie en de koffie bracht altijd opnieuw de familie samen. Familie werkt. Neem de familie weg en ik mag er niet aan denken aan de hitte die hun moeders in hun wortels hebben gevoeld. Neem de familie weg en zelfs superbonen vallen aan een klein jongetje te prooi. Net zoals jij misschien nooit was geworden wie je bent zonder je grootmoeder … en die koffiemolen van haar.”

Het werd stil in de kamer, terwijl hij me aankeek met een blik waaruit duidelijk bleek dat Geisha vóór en Geisha na dit gesprek twee geheel andere concepten waren voor hem.

“Zou je’t erg vinden als ik je nog niet in de molen draaide ?” vroeg hij. “Er is nog zoveel wat ik over koffie wil leren. Ik denk dat dit het begin van een mooie vriendschap kan worden.”

Ik keek naar mijn reisgezellen die lagen te wachten om te worden gemalen en van hun egaal bruingebrande uiterlijk en heerlijke geur wist ik dat de Geisha reputatie in goede handen was en ik deed wat geen boon mij ooit had voorgedaan: ik stemde toe.

(Third and last installment of a series of three articles about the situation in the Middle-East, with focus on Israël. This article was first published on August 14, 2010 on my now defunct blog “Sincerely Yours”)

WALTZWITHBASHIR_QUAD

At the time when I was about 15 years old in 1982 – 1983, I remember attending the daily ritual of watching the news with my parents and my brother and seeing these images from a war-stricken zone coming in. They were images of incredible destruction, of rubble and debris everywhere in the streets of what could hardly be called a city anymore and I remember asking myself: “But what is there that anyone would want to fight about ? Why on earth would one want to try and defend that pile of shelled walls and broken down buildings and why would another party want to capture them in the first place ?” I couldn’t understand and I must confess that, at that age, I also didn’t dive deeper in the origins of that conflict going on, but I do still remember the steady stream of images finding it’s way onto our television screen almost like a daily diet.

The country was Lebanon and the city in rubble was Beirut. It was called “Operation Peace for Galilee”. It is better known as the “Lebanon War”. The increasing presence of Palestinians in Southern-Lebanon had raised the pressure on Israels borders and on the Lebanese Christians living in that area. So, in order to install a security zone of about forty kilometers wide from which the majority of enemy weapons couldn’t hit Israeli territory anymore, Israel decided to invade Lebanon and clean it of the terrorists attacking them. Ariel Sharon, then defense minister, had a more elaborate plan in mind though: he wanted to push as far as the capital of Beirut and install a christian regime, friendly to Israel, headed by up-and-coming man Bashir Gemayel. Which is what happened, though Gemayel didn’t enjoy his new function for very long: he was murdered, purportedly by a Syrian, Habib Shartouni, on September 14, less than a month after being in office.

Sixteen years after the facts, in which he took part himself as an Israeli soldier during the invasion, director Ari Folman confronted the world and himself again with this (another) dark page in the Middle-East history, releasing the cruelly beautiful animation movie “Waltz with Bashir” onto cinemascreens worldwide. He went on to be nominated for the Academy Award for “best foreign film” in 2008, which he lost, but grabbed the Golden Globe in the same category.

Watching the movie (unfortunately under mediocre conditions on the most ubiquitous screen of all, nowadays, i.e. YouTube) made me remember an article I had read one time in Newsweek and in which the author -I don’t remember the name- pointed out the dangers of the big numbers with respect to “memory”. For what difference does it make to an unknowing audience whether you say ten thousand or fifteen thousand people died in a war ? It’s a difference of five thousand. So what ? People die every day, especially in wars. It becomes different when you say: Joe, Marc, Hendrik and Karl died in that war. And so did Karl’s son, Jonathan, and his wife, Elena. And so on … ten thousand names with ten thousand faces … and then five thousand more names and faces … father of … wife of … child of … That’s when the numbers stop being mere numbers and the memory has a chance to be carved in the soul, from where it can be erased  no more.

Such is the experience of watching “Waltz with Bashir”, a movie about an individual going in search of his names, his faces and, literally, his memories. This movie is not just about “the” Lebanon War, which was just another war among an endless list of wars far too long for anyone to memorize: it’s about the people that fought that war, that reported on that war, de- and reconstructing it from their own experience and perspectives and thus, layer after layer, revealing the essence of war, with the terrible culmination at the end. This movie is about creating a memory, such that no one will ever forget again. Therefore, the major part of what one easily could call a documentary, is made up of interviews by the director (Folman himself) with some of his brothers-in-arms at that time, which he goes to find as far as the Netherlands and in that way slowly piecing together his own role in the war.

Nothing in the movie is black and white, except for the video-board that served as basis for the stunning animation. Though the main accusation with respect to the massacres in Sabra and Shatilla committed by christian Phalangists and overseen by Israeli troops in vindication of the murder of Bashir Gemayel is shattering, the underlying tone is not.

We see people struggling with their ghosts, an outstanding example being the very opening scene where a pack of twenty-six bloodthirsty dogs runs along the streets, overhauling anyone and anything that stands in their way, to finally come to a halt under a window of an anonymous building from where a person watches them. It’s the daily recurring nightmare of the soldier who, during the war, because anyone knew he wouldn’t have been able to kill any human being, was ordered to shoot the dogs that started barking at the arrival of the Israeli troops as soon as they picked up an unknown scent, thus giving upfront warning to whichever enemy it was the soldiers were after.
We see people unexpectedly having to take over command and not knowing what to do. When one of Folman’s interviewee’s sees his commander being shot dead, he, as second in the line of command, has to take over. From the armored vehicle he is in, he orders his subordinates to shoot while they drive full speed through a field. They ask him what or who to shoot at. He answers “How the hell should I know ?” and when one of the soldiers asks: “Shouldn’t we pray ?”, the return is, “Ok, shoot and pray !”
We see soldiers being shot at by little boys with rocket-grenade launchers and returning fire full force in fear of their lives.
We see people sounding the alarm bell and being totally ignored.
But just as well, we see people, so many years after the facts, being totally at ease with the world and themselves, as if some things just never happened.

Folman makes one thing very, very clear: war is a strange, multi-headed monster. The strategy and the goal may be clear from the beginning, but underneath it’s a shambles and that’s what makes it so dangerous. There’s no straight line towards that goal. Sabra and Shatilla, where approximately three-thousand people were slaughtered, was one of those detours in that war which maybe wasn’t meant to be, but just had to happen because of the underlying chaos. The movie, far beyond the perimeter of this single war, forces anyone to face up to it’s own responsibility when evil comes knocking at the door.

Supported by a great score, “Waltz with Bashir” has managed to translate the dreadful face of war in stunning animated scenes. The single most important flaw I find is exactly the choice to switch in the very last minute from animation to real footage exposing the cruelty of what happened in those Palestinian refugee camps in its’ full bloody detail. In my opinion, there was no need for it. Without those images, the film would have been just as strong a statement. Oppositely, what we see are piles of bodies, of people with no names, with almost no faces. After telling about the mechanics of war, the atrocities, the hallucinations through the people who lived it and were there (the people being interviewed in the movie are real characters and all except two, also dubbed their own voices), this for me goes counter the rest of the movie. Yet let it not be me to condemn the choice of a director who, in this film, has given proof of an enormous integrity and therefore deserves our utmost respect.

Bashir may be dead, but this waltz is sure to linger in your mind for quite a while. As it should be …