Reunie

Posted: March 3, 2014 in Uncategorized

“Zoetjes” …

Het was als ineens dertig jaar teruggekatapulteerd worden in de tijd, de tijd van de schoolbel, van voetbal op de koer, van Latijn en wiskunde en Grieks, van zes jaar opvoeding tot mens. Van zes jaar humaniora. “Zoetjes, tot ziens”, zei hij bij het afscheid en ik zei “Dag Jef”, maar ik dacht “Meneer”, want mijn contributie aan de maatschappij zal nooit de gelijke zijn van eender welke leraar die in zijn of haar carriere het beste van zichzelf heeft gegeven.

Uitnodiging

Een paar weken eerder had er een brief in de bus gezeten. “Waarschijnlijk ben je er niet blijven bij stilstaan en is het niet ten volle tot je doorgedrongen dat je precies 20, 30 of 40 jaar geleden afstudeerde (…). Om dit heuglijk moment levendig voor de geest te roepen, nodigen we jou uit …” etcetera etcetera. U kent dat wel. Ik twijfelde een ogenblik of ik dit echt wel zo een heuglijk moment vond. Ik vond de verwoording een beetje overdreven optimistisch, want geef toe, wie wordt er nu graag geconfronteerd met het feit dat je oud aan het worden bent ? Of, afhankelijk van met wie je het erover hebt, het misschien al lang bent. Desalniettegenstaande besloot ik de twijfel deze keer het voordeel niet te gunnen en stond ik vorig weekend in diezelfde hall waarlangs wij zes jaar lang de school waren binnengelopen. Ongeveer driekwart van de Zesde Latijnse van ’84 was ook komen opdagen. De meesten waren amper veranderd, zeiden we, terwijl we een glas aangeboden kregen. Daar was weer die twijfel. Zeiden we dat omdat het echt zo was, of omdat we een beetje wilden verdoezelen dat de jaren ook bij ons niet geheel onopgemerkt waren voorbijgegleden ? In de volkswijsheid heet het dat dronkaards en kinderen de waarheid vertellen, maar de volkswijsheid vergeet te vermelden dat het verdwijnen van de haren en het verschijnen van de kilo’s ook niet liegen.

Een ongeïdentificeerde reïncarnatie van Mozes toeterde “volg mij maar” en de kolonne van de twintig, dertig en veertig jaar afgestudeerden zette zich in beweging doorheen het ook al weinig veranderde gebouwencomplex, voorbij het historisch erfgoed dat wij toen kenden als “het stencil-lokaal” en voorbij de vroegere kapel die nu geen kapel meer mocht heten want tot op de naakte muur uitgekleed. Iemand grapte dat het nu “polyvalente zaal” wordt genoemd. Ik vroeg mij af of dat betekende dar er nu misschien ook islammatjes op de vloer lagen. Eindpunt van de tocht door dat architecturale verleden was een klaslokaal, waar wij, “for ‘ol times’ sake”, eerst nog eens, als opening van de avond, een les zouden krijgen.

Dus je gaat zitten op een van de twee stoelen aan de tafels die nu terug naast en achter elkaar geordend staan en niet meer in U-vorm, zoals wij de laatste jaren gewoon waren -maar ja, het was dan ook een wetenschapslokaal en geen gezelligheidsklas- en dan staat daar een éminence grise van 76 jaar voor het bord aan de muur, alsof hij daar al die jaren gewoon op onze terugkeer heeft staan wachten en hij zijn ouderdom aan het portret van Dorian Gray heeft toevertrouwd. Het was dezelfde man, dezelfde leraar Latijn, die ons bijna tot wanhoop had gedreven met ons allereerste examen “ongeziene tekst” over een beer … een urs … en een honingpot. Het resultaat was uiteindelijk nog wel meegevallen. Gerard, die ik niet Gerard maar Meneer Ryckaert noemde, privilege van zijn status, begon over de Ghelamco Arena en over poëzie te praten. Ik heb het altijd wat moeilijk gehad de Buffalo in hem te zien, en ik denk met mij velen. Misschien is hij wel een voetballer of trainer in het diepst van zijn gedachten, een Mario Kloos onder de radar, maar de liefhebber van poëzie is voor eenieder onmiskenbaar. Dus meandert hij ons in een halfuurtje langs Vondel, Buckinx, Gezelle en De Conick, alvorens ons af te leveren in de handen van Jef.

Ook Jef heeft een gedichtje bij, dat hij netjes, in zijn mooie handschrift, op het nog immer groene bord heeft neergekrijt. Twee lijntjes maar. Van Catullus. Een elegisch distychon. “Odi et amo”. Ik haat en ik bemin. Jef sleurt ons bij onze onze koppetjes weer de wereld in van de prosodie en de cesuur, van een hexameter gevolgd door een pentameter, en laat dat naadloos overvloeien in een levensbeschouwelijke terzijde over verliefdheid en liefde. Ik hoor mezelf het woord “heerlijk” denken.

Wanneer je dagelijks over spreadsheets gebogen zit, het personeelsbeleid van een stad in handen hebt, les geeft aan studenten over bodembeheer in de landbouw, verantwoordelijk bent voor economie in een intercommunale, en ga zo maar door, dan is het een beetje vreemd gevoel wanneer iemand het heeft over werkwoorden “die de pezen en spieren van een zin zijn” en over een afgewezen minnaar die zijn frustratie blootlegt in een bepaald supergespierd gedichtje met acht werkwoorden, zoals dit “Odi et amo”. Vreemd gevoel dus, maar taal krijgt plots wel weer betekenis. Vorm van taal krijgt weer inhoud en het leek mij plots niet eens zo een onmogelijke krachttoer om die vlookups, die sumif’s en die talloze formules van mijn dagelijkse excell bezigheden met de prosodie van zo een gedicht te gaan vergelijken. Het is ook allemaal een beetje zoeken om het “juist” te krijgen, om de juiste waarde in de juiste cel te krijgen. Les extremes se touchent.

Het was al flink na middernacht toen ik afscheid nam van de nog overgebleven compagnons de route uit die lang vervlogen dagen en huiswaarts keerde. In het duister van de nacht doemde een schrikbeeld voor mij op. Ik moest denken aan al die heren in nette pakken van VOKA, VBO, UNIZO die er zo hard voor pleiten dat het onderwijs “veel meer zou moeten worden afgestemd op de arbeidsmarkt”. Men vraagt ons niet of wij de arbeidsmarkt die zij in gedachten hebben wel willen. Men zegt ons gewoon dat wij niet goed bezig zijn en dat “de markt” ons gaat straffen als wij zo verder doen. Die gedachte verontrust mij. Niet dat van die straf. Maar wel dat ik nog geen enkele markt ooit om poëzie heb horen vragen. Dus vermoed ik dat, in de toekomst die nog meer door die markt wordt gedicteerd, de minnaar en de hater, en de kweller en gekwelde, hun weg niet meer zullen kunnen vinden naar een bundel of bloemlezing maar zich enkel nog geconfronteerd zullen zien met hun C4, omdat hun begrip van het spierweefsel van de taal … helaas … niet markt-conform is. Ik maakte de bedenking dat er niet één, maar meerdere klimaatsveranderingen gelijktijdig aan het werk zijn.

Dag Meneer “Gerard” Ryckaert.

Dag Meneer Jef.

Het ga jullie goed. Vanwege een zoetjen.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s