De Geur van Geisha

Posted: August 29, 2015 in Uncategorized
Tags: , ,

Koffieplanten op de hacienda “El Roble” in Mesa de los Santos, Santander, Colombia

(Het verhaal hieronder is mijn bijdrage voor de wedstrijd “Het Parlement van de Dingen”, uitgeschreven door “De Correspondent”. De opdracht:  “Schrijf een kort verhaal of gedicht waarin een dier of ding spreekt in het Parlement en zijn of haar belangen en doelen verdedigt. Wat heeft het water ons te vertellen ? Welke keuzes maakt het ijzer ? Hoe formuleren het hout, plastic, graan of de eekhoorn en koffieboon hun belangen ?”)

—————————————————————–

“En jij ?” vroeg hij.

De situatie was, alle omstandigheden in acht genomen, een beetje vreemd te noemen. In plaats van fijngemalen en met gloeiend water overgoten te worden, lag ik hier, geroosterd maar intact, op de hand van een schepsel zoals ik er zo veel op de plantage had zien rondlopen. Alleen, die op de plantage waren kleiner, donkerder, met een meer getaande huid en breedgerande hoed. Ik noemde ze “koffieërs”, want het was duidelijk dat het bij hen allemaal om ons, koffiebonen, te doen was. Hun lijven, hun handen, hun vingers roken naar koffie; hun leven waren wij … koffie.

Deze hand echter was anders. Deze hand rook niet naar koffie, onder de nagels geen restanten van de peul waarin ik was opgegroeid. Deze hand was blank en terwijl ik zijn geur niet herkende, had deze koffieër aan mij geroken, diep en langdurig. Ik had het als aangenaam ervaren, en na een tijdje voelde ik me zo op mijn gemak dat ik met graagte mijn beste aromatische geuren was beginnen vrij te geven. De geur van Colombia. De geur van Santander waar ik was geboren. De geur van Geisha. En aan mij, die kleine onooglijke boon in zijn grote hand, begon deze bleke koffieër te vertellen over zijn grootmoeder in dat huis waar hij zo vaak als kind had gelogeerd in de weekends. Er waren nog van die oude bedden waarin hij had geslapen, met plompe matrassen en van die lange hoofdkussens die je als een boog recht kon stellen en er dan onder gaan liggen in plaats van er bovenop, maar dat deed je pas onder de ochtend, wanneer je wakker was, want ‘s avonds wilde je enkel maar slapen. Op het hoofdkussen, niet eronder. Zijn grootmoeder, zei hij, ging op zondag altijd naar de “eerste mis”, om zeven uur ‘s ochtends. Ze was haar leven lang de vrouw van een bakker geweest, dus uitslapen, ook in het weekend, was aan haar niet besteed. Haar man, die bakker en de koffieër zijn grootvader, ging op zondag altijd naar de “hoogmis”. Die was om tien uur. Daarna ging hij in het café in het dorp kaarten tot het tijd was voor het middageten, want van “lunch”, daar had toen nog niemand van gehoord. Het was echter het moment waarop zijn grootmoeder terugkeerde van haar plicht in de kerk dat hij zich het best herinnerde, vertelde de koffieër me. Vanuit  zijn bed zou hij horen hoe de achterdeur die uitgaf op het terras werd opengedaan en kort daarna weer gesloten. Er volgden wat momenten van gestommel waarin ze haar schoenen en jas zou uitdoen, voor de spiegel zou controleren of haar haarwrong nog goed zat, alvorens het geluid van de elektrische koffiemolen zou weerklinken. Zijn grootmoeder kocht altijd ongemalen koffie. Het was pas toen er koffie diende te worden gezet dat de bonen de molen in gingen. En zo was het dat, op die zondagochtenden, niet enkel het geluid van de koffiemolen, maar ook het aroma van vers gemalen koffie zich vanuit de keuken door de gang tot in de slaapkamers verspreidde. En dan wist je: er werd aan het ontbijt gewerkt. Tijd om nog snel even onder die boog van het hoofdkussen te kruipen.

Hij vertelde het me, van man tot boon, met een blik alsof alle herinneringen aan die tijd als restantjes koffiegruis aan zijn ziel waren blijven plakken en hij het er nooit of nooit van af wilde vegen.

“En jij ?” vroeg hij toen. “Hoe zit het met jou en waarom ruik jij zo lekker ?”

Ik voelde me een beetje gepakt want niemand aan mijn struik of van de omliggende struiken had me ooit de mogelijkheid van zo een scenario voorgehouden, waarin ik over mezelf zou moeten vertellen aan een wildvreemde koffieër. Maar nu het toch zo ver was, dacht ik: “So what ? Laat mij dan maar boontje de voorste zijn die dit voor het eerst doet.” Ik gaf nog een diepe aromastoot en begon te vertellen.

” Ik heb een gelukkig leven gehad, alvorens ik hier in jouw hand belandde, en omdat ik zo gelukkig heb geleefd, weet ik hoe ik jou gelukkig kan maken. Ik werd geboren aan de Tafel van de Heiligen, de Mesa de los Santos, op de plantage van de hacienda El Roble. Mijn moeder, een mooie koffiestruik, was Geisha en zo werden wij, mijn broertjes en zusjes -haar “boontjes”, zoals ze ons liefkozend noemde-, allemaal opgevoed to Geisha. Onze soort, zei ze, stond in hoog aanzien bij kenners wereldwijd en daarom kregen wij alleen het allerbeste van wat de aarde ons te bieden heeft.

Vooreerst was dat … schaduw. Heel mijn leven lang waakte mijn familie vanuit de hoogte over mij, dat ik het niet te warm zou krijgen onder de zon, die heftig kan zijn in Santander.. Eigenlijk was het geen echte familie, want zij waren geen Geisha en, meer nog, produceerden zelfs in het geheel geen koffie, maar omdat we zo nauw samenleefden met die bomen, dag in dag uit, beschouwden we hen evengoed als even zovele nonkels en tantes. Met hun bladerdak, het ene al fraaier dan het andere, schermden ze ons af van de zon, maar ook van de hevige slagregen. En hoe meer wij groeiden en zwaarder werden en mijn moeder haar takken steeds meer gingen doorbuigen onder ons gewicht, hoe dankbaarder ook zij voor die schaduw was. Er was echter nog een reden: ze klaagde steeds meer over de warmte in haar wortels. Wij plaagden haar daar wel eens mee: “Je wordt oud, mama ! Je zit in de overgang, mama !” Maar dan werd ze kwaad en zei ze dat wij, lullige boontjes, er niks van begrepen. Dit was niet iets wat voorbijging, dit had niets te maken met haar ouderdom. Dat constante en toenemende gevoel van warmte, daar waar wij het niet konden zien, dat baarde haar duidelijk zorgen en wij deden er dan ook wijselijk het zwijgen toe.

Zingen was nooit haar sterkste kant, maar heel mijn leven ben ik niet één dag zonder muziek geweest. Muziek bij het wakker worden en wiegeliedjes bij het slapengaan. Gezongen door zangers van alle mogelijke pluimage, elk gebekt en gemazeld in hun eigen soort muziek. Ze werden aangetrokken door die fijne omgeving die onze uitgebreide familie ter beschikking stelde en het voldeed perfect aan hun exquise artistieke verlangens. Je zou het een soort van mecenaat kunnen noemen, dat wij hen aanboden. Muziek verzacht de zeden, hoorde ik eens zo een koffieër zeggen. Ik wou hem nog naroepen: “… en verzacht het aroma van de koffie !” maar hij was al … boem paukeslag … verdwenen. Anderzijds, terwijl wij hen gratis repetieruimte en podia voor hun diverse optredens boden, vroegen wij wel van dat zoetgevooisd zootje ongeregeld in hun knotsgekke verenpakjes dat zij ons ook zouden “vlooien” zoals ik het eens iemand hoorde noemen. Die deal werd zonder verdere discussie aangenomen: overdag hielden zij ons vrij van al die wanstaltige kevers en ander parasitair gespuis en voor de rest mochten zij zich volledig toeleggen op hun  kunst. Het was een volmaakte symbiose, zo perfect -als je mij deze woordspielerei toestaat- als het samenspel tussen een geisha en haar shamisen.

En dan het eten …

We aten het beste uit de aarde, niets meer en niets minder. Als het kon, zou ik je zo graag eens willen uitnodigen bij mijn moeder en je laten meeproeven van die grond en dat water. Pure grond, met toetsen van mos en hout, en water van regen en ochtenddauw, opgeslagen onder het dak van onze nonkels en tantes: dat moet je proeven ! Dat valt met geen woorden te beschrijven. En dat aten en dronken wij elke dag, zodat we opgroeiden tot de bonen die we vandaag zijn. “Gezond eten en dan komt al de rest wel in orde”, was het motto van mijn moeder. Aan de Tafel van de Heiligen was men het daar helemaal mee eens en werd mijn moeder op haar wenken bediend. Tijdens haar leven is ze overladen met ronkende eretitels die ze zelf niet altijd verstond, gaande van “Single Origin” tot “Rainforest Alliance”, maar het meest trots was ze altijd op dat “Organisch”. Daarvan was ze doordrongen tot in het diepst van haar wortels; die eretitel, die straalde ze uit en pompte ze ons in. Ikzelf ben van nature nogal trots, dus ik heb me mijn hele leven, meer nog dan  koffie, vooral Geisha gevoeld. Dat bloed, die stamboom, dat zat in mij en ik glom van trots telkens ik een van de koffiërs die ons verzorgden onze naam tegen een potentiële koper -die je herkende aan het lawaai waarmee ze door de plantage banjerden- hoorde noemen. … Geisha ! … Yes ! … Maar nu, in mijn geroosterde nadagen, ben ik tot het besef gekomen dat ik enkel maar Geisha kon worden omdàt ik organisch ben. Wat ik ben vandaag, de wijze waarop ik hier op je hand lig te geuren, is het gevolg van een keuze die is gemaakt en die de oorzaak is van de naam en faam die onze familie nu geniet in het koffieversum en ver daarbuiten.”

“Bedoel je dan dat jouw manier van koffie-zijn de enige aanvaardbare manier is ?”

Ik zweeg even. Een heel leven, van knop tot boon, van groen tot rood, doorgebracht in de schaduw van de hacienda El Roble en zijn hoge bomen, trok in een paar zalige ogenblikken terug aan mij voorbij en toen wist ik ook wat te antwoorden.

“In tegenstelling tot jullie, koffieërs, heb ik, Geisha-boon, tijdens mijn jonge leven nooit gereisd. We zijn  sedentair. We hebben die rustige vastigheid nodig om te groeien en te bloeien. Wat je nu ruikt, wat je proeft, is het resultaat van al dat hardnekkig non-bewegen in de schaduw. Het is pas eens we geplukt zijn dat wij beginnen reizen. Eénmalig. Zonder retour. Een reis waarvan we nooit meer terugkeren. Maar dat wil niet zeggen dat wij tijdens ons leven ignoramussen zijn. Dagelijks waren die plantage-koffieërs met ons bezig en hoorden we ze onder elkaar hun verhalen vertellen, over koffie, want zoals ik reeds zei: hun leven ademde koffie. En dan waren er natuurlijk ook de gevederde zangers en muzikanten. Sommigen onder hen hadden zich voorgoed gevestigd op de plantage maar bij anderen was het een voortdurend gaan en komen. Het was een heel eclectisch volkje, die kunstenaars. Maar uiteraard brachten ook zij de verhalen mee van de plaatsen waar ze waren geweest. Aangezien we niet veel anders omhanden hadden in onze jeugd dan te groeien, hadden mijn broertjes en zusjes, en ikzelf ook uiteraard, overschot van tijd om naar al die verhalen over andere koffieplaneten te luisteren.

Vaak ging het erover hoe vet en dik die koffiebonen daar op die andere plantages wel waren en soms zag je zo wel eens één van die flierefluiters met een meewarige blik naar mijn moeder kijken terwijl hij ons aan het “vlooien” was en hoorde je hem denken: “Nou mevrouwtje, je zou die armzalige bloedjes van kinderen van jou beter wat meer te eten geven in plaats van achter al die trofeeën en certificaten aan te gaan !”. Maar mijn moeder gaf geen krimp. “Topwijf”, hoorde ik een van de koffieërs op een keer zeggen. Want van hèn, zij die zich met de koffie bezighielden in plaats van met de kunst, zij die begrepen waarover het echt ging, hoorden we het hoe en waarom van die superbonen daarbuiten. Die hun moeders werden gevoed met wat zij “fast food” noemden: dezelfde grond en hetzelfde water als bij ons op de plantage, maar dan aangevuld en vermengd met een hele hoop andere rommel. Waarom dat nodig was vertelden ze ons ook. Op die andere plantages had men namelijk het hele sociale weefsel ontrafeld: de nonkels en de tantes die ons afschermden van alle extreme weerelementen, had men daar omgekapt, zodat er meer plaats was voor koffiestruiken maar dat zorgde er wel voor dat die arme bonen blootstonden aan wat verschrikkelijks er ook over hun hoofden passeerde en doordat de statige bomen er niet meer waren, waren er ook geen podia voor al die kunstenaars die ons dag na dag vermaakten èn ons vlooiden, dus die gaven daar bij hun doortocht hoogstens een pop-up concertje van twee keer niets, gevolgd door een snelle hap en weg waren ze al weer. Met andere woorden: die bonen waren volledig op zichzelf aangewezen en daarvoor hadden ze dat krachtvoer nodig. Maar zelfs dat was dikwijls niet voldoende om te weerstaan aan “het jongetje”. Wanneer de koffieërs het hadden over El Niño, hoorde je hun stemmen van toon veranderen. Ze werden grimmiger en de tanden gingen op elkaar. Spreken over El Niño -dat was duidelijk- deed je vanuit de buik, waar het eten dat je de kracht geeft om te vechten passeert maar waar ook de angst resideert. Sommigen van hen hadden op van die andere plantages gewerkt en van hen hoorden we de horrorverhalen over de dood en vernieling die dat jongetje daar in bepaalde jaren had aangericht. Die angst, dat het ook bij ons op de plantage zou kunnen gebeuren, liet hen nooit los. Ik was er hen altijd dankbaar voor, want je voelde gewoon dat die angst hun zorgen aan en bezorgdheid om ons alleen maar dieper en intenser maakte. … En nu moet je goed luisteren, want dit heb ik nog nooit aan iemand anders verteld, maar ik beschouwde hen eigenlijk ook een beetje als familie. Wij, Geisha bonen, zijn misschien trots, maar we zijn ook genereus.”

“Wow !” zei hij.

“Weet je wat het is wat het verschil maakt ? Bij een boon als ik passen alle puzzlelstukjes in elkaar. Ik ben niet het product van mijn moeder alleen maar het product van een heleboel andere dingen die er samen aan gewerkt hebben dat ik nu ben wat ik ben. Dat gaat over de aarde waarin we opgroeien, de bron die het water naar onze wortels brengt, de bomen die ons beschutten, de kunstenaars die ons entertainen, de bekjes die ons vlooien enzovoort. Het hele plaatje klopt. Ik hoorde de koffieërs ook altijd vertellen over hun familie. Er was enerzijds koffie en anderzijds familie en de koffie bracht altijd opnieuw de familie samen. Familie werkt. Neem de familie weg en ik mag er niet aan denken aan de hitte die hun moeders in hun wortels hebben gevoeld. Neem de familie weg en zelfs superbonen vallen aan een klein jongetje te prooi. Net zoals jij misschien nooit was geworden wie je bent zonder je grootmoeder … en die koffiemolen van haar.”

Het werd stil in de kamer, terwijl hij me aankeek met een blik waaruit duidelijk bleek dat Geisha vóór en Geisha na dit gesprek twee geheel andere concepten waren voor hem.

“Zou je’t erg vinden als ik je nog niet in de molen draaide ?” vroeg hij. “Er is nog zoveel wat ik over koffie wil leren. Ik denk dat dit het begin van een mooie vriendschap kan worden.”

Ik keek naar mijn reisgezellen die lagen te wachten om te worden gemalen en van hun egaal bruingebrande uiterlijk en heerlijke geur wist ik dat de Geisha reputatie in goede handen was en ik deed wat geen boon mij ooit had voorgedaan: ik stemde toe.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s